Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Wijzigingsverbod van artikel 20 Pensioenwet geldt bij onvoorwaardelijke toeslagen ook voor toekomstige toeslagen over aanspraken, die tot het moment van wijziging zijn opgebouwd.

Wijzigingsverbod van artikel 20 Pensioenwet geldt bij onvoorwaardelijke toeslagen ook voor toekomstige toeslagen over aanspraken, die tot het moment van wijziging zijn opgebouwd.

9 september 2020

Werkgever wijzigt eenzijdig de pensioenregeling, onder meer door onvoorwaardelijke toeslag te vervangen door voorwaardelijke toeslag. Dat is in strijd met artikel 20 Pensioenwet omdat een onvoorwaardelijke toeslag valt onder het begrip pensioenaanspraak in de zin van artikel 1 PW. Daaronder vallen ook de toekomstige toeslagen over de tot het moment van wijziging opgebouwde aanspraken.

Pensioentoezegging met onvoorwaardelijke toeslag

X is geboren in 1957 en sinds 1 september 1994 in dienst van Stichting Y. Bij zijn indiensttreding kreeg X een pensioentoezegging. In eerste instantie was dit een premievrije eindloonregeling met een onvoorwaardelijke toeslagregeling voor zowel actieve als inactieve deelnemers.

In 2013 wijzigt Y de pensioenregeling in een middelloonregeling. Het pensioenreglement bevat een toeslagregeling op grond waarvan Y jaarlijks per 1 januari toeslagen verleent op het tot 1 januari opgebouwde gedeelte van de deelnemers. De toeslag is gelijk aan het percentage waarmee de lonen zijn aangepast conform de voor Y geldende cao. Y betaalt de toeslagen uit de rentestandskorting die op grond van de uitvoeringsovereenkomst beschikbaar komt. Als de rentestandskorting onvoldoende is om te toeslag te financieren, moet Y op grond van het pensioenreglement een aanvullende koopsom betalen aan de pensioenverzekeraar. De toeslag bedraagt maximaal 3%.

Het pensioenreglement bevat verder een wijzigingsvoorbehoud op grond waarvan Y zich het recht heeft voorbehouden de pensioenregeling te wijzigen als er sprake is van een zwaarwegend belang. In het pensioenreglement is  met zo veel woorden opgenomen dat hiervan onder meer sprake is als de financiële positie van Y de uitgaven voor de pensioenregeling niet meer of niet meer in de huidige vorm toelaat. Tevens staat er in het pensioenreglement dat de opgebouwde pensioenaanspraken in een dergelijk geval niet worden aangetast.

Y wil pensioenregeling wijzigen

Y vraagt in november 2016 aan zijn OR om in stemmen met een wijziging van de pensioenregeling per 1 januari 2017. Y geeft aan dat als gevolg van de structureel lage rente en de toegenomen levensverwachting de pensioenlasten met ongeveer 89% stijgen bij een ongewijzigde voortzetting.

Een van de voorgestelde wijzigingen betreft het vervangen van de onvoorwaardelijke toeslag voor actieven door een voorwaardelijke toeslag. Naast de genoemde financiële overwegingen, geeft Y aan dat de pensioenverzekeraar niet meer bereid is om een onvoorwaardelijke toeslag uit te voeren in de nieuwe regeling. Daarom stelt Y voor over te gaan naar een voorwaardelijke toeslag op basis van de . beschikbare middelen, waarbij Y geen middelen meer beschikbaar stelt voor de toeslagverlening van de actieven. De OR stemt in met de voorgesteld wijzigingen, met dien verstande dat Y toezegt ter financiering van de voorwaardelijke toeslagverlening jaarlijks een bedrag in het toeslagdepot stort ter grootte van 3,7% van de totale pensioengevende loonsom.

Y vraagt daarop instemming van alle deelnemers. X stemt niet in. Y besluit vervolgens om de regeling eenzijdig te wijzigen voor deelnemers die niet instemden. In februari 2018 bevestigt Y aan X dat de eenzijdige wijziging per 1 januari 2017 ook voor hem geldt.

Als gevolg van een organisatiewijziging per 1 juli 2019 gaat het personeel van Y over naar verschillende entiteiten. Y treedt daardoor per 1 juli 2019 in dienst van Z. Z past zijn eigen pensioenregeling toe op alle werknemers, waaronder X, conform artikel 7:664, lid 1 BW (de uitspraak verwijst abusievelijk naar artikel 644). Op grond daarvan neemt X per 1 juli 2019 niet meer actief deel aan de pensioenregeling van Y en is hij een gewezen deelnemer.

X accepteert de eenzijdige wijziging niet en stapt naar de kantonrechter.

Is de pensioenregeling rechtsgeldig gewijzigd?

X  stelt dat artikel 20 PW aan wijziging van opgebouwde pensioenaanspraken in de weg staat, zodat de tot 1 januari 2017 opgebouwde pensioenaanspraken in ieder geval voorzien zijn en blijven van een onvoorwaardelijke toeslagverlening.

Y verweert zich hiertegen met de stelling dat in het algemeen geldt dat X niet kan verwachten dat het  pensioen nooit verandert. Volgens Y is de eenzijdige wijziging geldig, onder meer op grond van artikel 19 PW. Daarnaast stelt Y dat X hooguit een vordering heeft over de periode 1 januari 2017 tot 1 juli 2019, omdat hij vanaf 1 januari 2019 deelnemer is in de regeling van Z en dus niet langer actief deelneemt aan de regeling van Y.

De kantonrechter concludeert dat allereerst de vraag aan de orde is of de toeslagverlening over de tot 1 januari 2017 opgebouwde pensioenaanspraken überhaupt kan worden gewijzigd gelet op artikel 20 PW. Als dat niet het geval is komt de vraag, of een dergelijke wijziging eenzijdig kan en zo ja onder welke voorwaarden, in het geheel niet aan de orde.

Staat artikel 20 PW wijziging onvoorwaardelijke toeslag in de weg?

Voor de uitleg en toepassing van artikel 20 PW is volgens de kantonrechter allereerst van belang  wat er onder het begrip ‘pensioenaanspraak’ wordt verstaan. Artikel 20 PW bepaalt immers dat “in geval van een wijziging van een pensioenovereenkomst de voor de aanspraakgerechtigden tot het tijdstip van wijziging opgebouwde pensioenaanspraken niet worden gewijzigd”. Het begrip pensioenaanspraak is gedefinieerd in artikel 1 PW als: “het recht op een nog niet ingegaan pensioen, uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening”. De kantonrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat uit de definitie van pensioenaanspraak volgt dat onvoorwaardelijke toeslagverlening is uitgezonderd. Hij verwijst daarbij nog naar de memorie van toelichting bij de PW waarin staat; “het begrip pensioenaanspraak ziet ook op de aanspraak op onvoorwaardelijk toeslagen (de uitspraak heeft het abusievelijk over aanslagen), maar niet op voorwaardelijk overeengekomen toeslagverlening”. De kantonrechter concludeert dat tussen partijen in geschil is of hieraan een beperking zit in die zin dat onvoorwaardelijke toeslagverlening alleen tot het moment van wijziging onder het begrip pensioenaanspraak valt, zoals Y bepleit. Volgens Y vallen alleen opgebouwde pensioenaanspraken onder het wijzigingsverbod, terwijl toekomstige toeslagen nog niet zijn opgebouwd omdat de toekomstige toeslagen pas opeisbaar worden indien de toeslagenambitie daadwerkelijk tot het toekennen van een toeslag aanleiding geeft.
De kantonrechter deelt dit standpunt niet. Als het standpunt van Y juist zou zijn, dan zou er volgens de kantonrechter namelijk geen verschil meer bestaan met voorwaardelijke toeslagen waarvoor het wijzigingsverbod niet geldt. De wel toegekende voorwaardelijke toeslagen zijn immers een pensioenaanspraak geworden en kunnen niet meer worden gewijzigd, maar de nog niet toegekende voorwaardelijke toeslagen kunnen wel worden gewijzigd. Als de nog niet toegekende onvoorwaardelijke toeslagen ook konden worden gewijzigd, begrijpt de kantonrechter niet wat het verschil is met voorwaardelijke toeslagen en welk onderscheid dan is gemaakt met het wijzigingsverbod. Die uitleg kan volgens de kantonrechter dan ook niet juist zijn. Hij concludeert dat het wijzigingsverbod ook ziet op de toekomstige onvoorwaardelijke toeslagverlening.

De kantonrechter verwerpt ook het betoog van Y dat sprake is van een ‘onbedoeld onvoorwaardelijke’ toeslagverlening en dat de invoering van de PW niet beoogde de positie van de pensioengerechtigde verbeteren, maar er blijkens de wetsgeschiedenis in voorzag dat deze toeslagen zouden (kunnen) worden omgezet in voorwaardelijke toelagen. Dit betoog miskent volgens de kantonrechter dat de PW beoogt duidelijkheid te bieden aan de pensioengerechtigde over wat hij kan verwachten. Om die reden is een toeslag alleen voorwaardelijk indien dit duidelijk blijkt uit een zogenaamde voorwaardelijkheidsverklaring. De kantonrechter merkt op dat Y zelf terecht opmerkt dat de toeslagverlening met uitstelfinanciering door wetsduiding onvoorwaardelijk is geworden. Indien Y dat anders had willen zien, had zij actie moeten ondernemen, vervolgt de kantonrechter. Zijn conclusie is dan ook dat de toeslagverlening zoals X die ontving als onvoorwaardelijk heeft te gelden en deze toeslagverlening onder het wijzigingsverbod van artikel 20 PW valt, ook voor wat betreft de toekomstige toeslagverlening over de tot het moment van wijziging opgebouwde aanspraken. Artikel 20 PW is van dwingend recht. Dit betekent volgend de kantonrechter dat wijziging van de onvoorwaardelijke toeslagverlening over de tot 1 januari 2017 opgebouwde aanspraken op grond van artikel 19 PW of artikel 7:611 (goed werkgever- en goed werknemerschap) of 7:613 BW (eenzijdige wijziging bij zwaarwichtig belang) niet mogelijk is.

Wijziging op grond van redelijkheid en billijkheid?

Y voerde ook nog aan dat de eenzijdige wijziging rechtsgeldig is omdat ongewijzigde instandhouding van het pensioen onaanvaardbaar zou zijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, zoals bedoeld in artikel 6:248,lid 2 BW. De kantonrechter begint met de constatering dat hij met een dergelijk beroep op de redelijkheid en billijkheid terughoudend moet omgaan, zeker als het gaat om een regel van dwingend recht zoals artikel 20 PW. Als in de wettelijke regel al een afweging van belangen door de wetgever besloten ligt, zal een beroep op de genoemde redelijkheid en billijkheid alleen in heel uitzonderlijke gevallen kunnen slagen.

Y betoogt dat onvoorwaardelijke toeslagverlening met uitstelfinanciering in strijd is met de wet. Daarnaast wijst hij op het feit dat de pensioenverzekeraar niet langer bereid zou zijn om een onvoorwaardelijke toeslagverlening met uitstelfinanciering uit te voeren.

De kantonrechter overweegt dat het standpunt van Y in zoverre juist is dat onvoorwaardelijke toeslagen in het algemeen in de opbouwfase moeten worden gefinancierd. De kantonrechter constateert echter dat uit de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken I 2006/2007, 30413, C, p. 30-31) volgt dat dit niet geldt voor onvoorwaardelijke toeslagverlening die alleen plaatsvindt bij actieve deelnemers, zoals in de pensioenregeling van Y. Hij verwerpt het standpunt van Y dat continuering van de regeling om deze reden onaanvaardbaar zou zijn. Ook het argument dat de pensioenverzekeraar niet langer bereid zou zijn om een dergelijke regeling uitvoeren, gaat volgens de kantonrechter niet op. Y maakte hiervan geen melding in de brief aan X waarin Y om instemming van X verzoekt met de wijzigingen. De kantonrechter verbindt hieraan de conclusie dat dit argument geen rol heeft gespeeld bij het voornemen en het besluit tot wijziging van de pensioenregeling. Ook de verdere argumenten die Y aandroeg, leiden volgens de kantonrechter niet tot een andere conclusie dat eenzijdige wijziging van de onvoorwaardelijke toeslagverlening niet mogelijk is.

De kantonrechter verklaart voor recht dat de toeslagverlening over de ten behoeve van X opgebouwde pensioenaanspraken onvoorwaardelijk is en dat deze opgebouwde aanspraken ieder jaar, althans tot 1 juli 2019 (de datum waarom X gewezen deelnemer werd) dienen te worden verhoogd met het percentage waarmee de lonen zijn aangepast met een maximum van 3%.

Commentaar

De ‘onbedoeld onvoorwaardelijke’ toeslagverlening bracht al heel wat gemoederen in beweging. Niet alleen tijdens en kort na de totstandkoming van de Pensioenwet, maar inmiddels ook in een toenemend aantal rechterlijke uitspraken. Zie bijvoorbeeld ons nieuwsbericht van 24 januari 2020. In deze zaak was, naast de wijziging van de toeslagverlening, nog een aantal andere wijzigingen aan de orde. Ook die had Y eenzijdig doorgevoerd. Van belang is met name dat de kantonrechter constateert dat een onvoorwaardelijke toeslagverlening op grond van artikel 20 PW überhaupt niet gewijzigd kan worden. De vraag of dat eenzijdig kan, is dan dus totaal niet relevant. Een tweede belangrijk aspect is de constatering van de kantonrechter dat bij een onvoorwaardelijke toeslagverlening die alleen geldt voor actieve deelnemers en niet (ook) voor gewezen deelnemers, geen sprake is van een directe affinancieringsplicht door de werkgever, maar van een jaarlijkse betalingsverplichting. Waarom de pensioenverzekeraar in dit geval de regeling niet meer wilde uitvoeren, is daarom onduidelijk.  De verzekeraar liep in dit geval geen insolventierisico. Betalingsachterstand van koopsommen voor de toeslagverlening is geen premieachterstand in de zin van artikel 29 PW. Dergelijke koopsommen zijn ‘bijdragen’ in de zin van de PW. Een pensioenverzekeraar behoeft dus niet per definitie dekking te verlenen als de koopsom niet of niet tijdig wordt betaald. Zie ook ons nieuwsbericht van 25 september 2019.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Den Haag, 13 augustus 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:7813

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 9 september 2020.