Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Praktijkvraag: duur nabestaandenlijfrente

Vraag

Mijn schoonzus is onlangs op 62-jarige leeftijd overleden. Zij had een lijfrentespaarrekening. De erfgenamen zijn haar drie zonen van respectievelijk 31, 27 en 21 jaar. Moeten de zonen een lijfrente aankopen en zo ja wat is de minimale duur van deze lijfrente?

Antwoord

Aankopen lijfrente

Bij overlijden komt het kapitaal van de lijfrentespaarrekening toe aan de erfgenamen, in dit geval de drie zonen. Volgens de Wet op de inkomstenbelasting moeten zij dit kapitaal direct aanwenden voor de aankoop van een nabestaandenlijfrente. Als zij besluiten dit niet te doen, wordt het kapitaal bij hun belastbaar inkomen uit werk en woning gerekend en moeten zij hierover ook 20% revisierente betalen. Er is geen revisierente verschuldigd als het aan elk van hen toekomende lijfrentekapitaal kleiner is dan € 4.404 (2019).

Duur nabestaandenlijfrente

Bij een nabestaandenlijfrente wordt onderscheid gemaakt tussen

  • bloed- of aanverwanten, niet zijnde de partner of gewezen partner, in de rechte lijn of in de tweede of derde graad van de zijlijn en
  • anderen.

Als de lijfrente toekomt aan een ander, bijvoorbeeld de partner van de overledene, dan bedraagt de duur van de nabestaandenlijfrente minimaal 5 jaar.

Als de lijfrente toekomt aan een bloed- of aanverwant, bijvoorbeeld een kind, wordt onderscheid gemaakt tussen verkrijgers die ouder en jonger zijn dan 30 jaar. Is de verkrijger 30 jaar of ouder, dan is de minimale duur van de nabestaandenlijfrente 20 jaar.

Is de verkrijger jonger dan 30 jaar, dan bedraagt de uitkeringstermijn van de nabestaandenlijfrente:

  • ten minste 5 jaar maar nooit meer dan het aantal jaren tot 30 jaar; of
  • ten minste 20 jaar.

Dit betekent dat de minimale uitkeringsduur van de nabestaandenlijfrente voor drie zonen moet zijn:

Zoon 31 jaar:     minimaal 20 jaar;

Zoon 27 jaar:     minimaal 3 jaar;

Zoon 21 jaar:     minimaal 5 jaar.

 

Deze praktijkvraag is opgesteld naar de stand van zaken op 20 mei 2019