Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Praktijkvraag - uiterste termijn lijfrente -ingang

Zakelijk Aegon Adfis Praktijkvragen en antwoorden Praktijkvraag - uiterste termijn lijfrente -ingang

Vraag

Mijn klant is directeur grootaandeelhouder (DGA) van een BV. Bij de inbreng van zijn onderneming, in 1996, bedong hij bij zijn BV een lijfrente voor de stakingswinst. In de lijfrenteovereenkomst staat dat de lijfrente ingaat op de 65-jarige leeftijd van de klant. Mijn klant is op 14 juli 2017 65 jaar geworden en wil de aankoop van de lijfrente uitstellen wegens de slechte financiële positie van de BV. Het grootste deel van de bezittingen van de BV bestaat uit een vordering op de DGA. Wat zijn de consequenties als mijn klant pas een paar jaar later de lijfrente aankoopt?

Antwoord

Het later laten ingaan van de lijfrente kan nadelige fiscale consequenties voor uw klant hebben. Volgens de wet- en regelgeving moet een lijfrente ingaan op de expiratiedatum van de lijfrenteovereenkomst. In de situatie van uw klant dus  op 14 juli 2017.

Er gelden wettelijke termijnen voor de aankoop van de lijfrente. Bij in leven zijn eindigt deze termijn op 31 december in het jaar volgend op het jaar waarin het lijfrentekapitaal expireert. Voor uw klant betekent dit dat zijn lijfrente uiterlijk moet ingaan op 31 december 2018. Indien uw klant bijzondere omstandigheden kan aantonen is het mogelijk de wettelijke termijn te verlengen. Hiervoor moet uw klant wel een verzoek doen aan de inspecteur.

Als er geen bijzondere omstandigheden zijn en de lijfrente gaat later in dan 31 december 2018 dan is de lijfrenteovereenkomst niet conform de regelgeving uitgevoerd. Fiscaal is er dan sprake van afkoop van de lijfrente. Uw klant is in dat geval in 2018 inkomstenbelasting verschuldigd over de waarde van de lijfrente. Daarnaast is hij dan ook 20% revisierente verschuldigd.

Wanneer de BV te weinig vermogen heeft om de lijfrente uit te keren, kan de BV de belastingdienst vragen om toe te staande lijfrente te verlagen. In dat geval moet er sprake zijn van “niet voor verwezenlijking vatbare rechten”. Dat zal in dit geval lastig zijn omdat het grootste deel van het vermogen van de BV bestaat uit een vordering op uw klant. Dat blijkt onder meer uit  een recent gepubliceerde uitspraak van Rechtbank Noord-Holland. Daarin besliste de rechter met name vanwege de grote vordering van de BV op de DGA, dat er geen sprake kon zijn van niet voor verwezenlijking vatbare rechten.

Tenslotte is het ook nog mogelijk dat uw klant en de BV overeenkomen om de lijfrenteovereenkomst te wijzigen. Deze oplossing lijkt het meest aan te sluiten bij de wens van uw relatie.

In dat geval zetten partijen de bedongen lijfrente om in een nieuwe lijfrente. Dat kan zolang de nieuwe lijfrente aan de wettelijke voorwaarden voldoet. Volgens de huidige wetgeving moet een lijfrente uiterlijk ingaan in het jaar vijf jaar na de AOW-datum. Voor uw klant betekent dit dat de lijfrente uiterlijk moet ingaan op 31 december 2022.

Wanneer uw klant zijn lijfrente wil uitstellen verdient het aanbeveling dat hij en zijn BV dit vóór 31 december 2018 vastleggen in een Besluit van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders en de nieuwe lijfrenteovereenkomst maken.

Deze praktijkvraag is opgesteld naar de stand van zaken op 27 juli 2018