Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Aegon Adfis Praktijkvragen Praktijkvraag: Combinatie nabestaandenpensioen basisregeling en restitutiekapitaal

Praktijkvraag: Combinatie nabestaandenpensioen basisregeling en restitutiekapitaal

Vraag

Een client van mij wil voor zijn werknemers een basisregeling sluiten die voorziet in een op risicobasis verzekerd partnerpensioen bij overlijden van de werknemer vóór de pensioendatum. Daarnaast wil deze client haar werknemers een regeling aanbieden voor aanvullend pensioensparen met een uitkering bij vooroverlijden ter grootte van 90% van het belegd pensioenkapitaal (restitutiekapitaal). De partner kan daar (aanvullend) partnerpensioen voor aankopen.

Kan deze verzekering van het restitutiekapitaal bij vooroverlijden worden gecombineerd met het in de basisregeling op risicobasis verzekerde partnerpensioen?

Antwoord

Deze vraag heeft het Centraal Aanspreek Pensioenen (CAP) onlangs beantwoord op haar website. Kortweg komt het erop neer dat het fiscaal is toegestaan om restitutiekapitaal te combineren met het partnerpensioen in de basisregeling mits de fiscale begrenzing niet wordt overschreden. Om overschrijding te voorkomen kan de werkgever of verzekeraar als begunstigde worden opgenomen voor zover het restitutiekapitaal bij overlijden meer bedraagt dan de koopsom voor een fiscaal maximaal aanvullend partnerpensioen.

Voor de volledigheid nemen wij het volledige antwoord plus de “Let op! tekst” van het CAP hierna op.

CAP:

“Als de basisregeling al voorziet in een (al dan niet op risicobasis verzekerd) fiscaal maximaal partnerpensioen, is het fiscaal niet mogelijk om in de aanvullende regeling nog een uitkering van pensioenkapitaal bij vooroverlijden voor de aankoop van aanvullend partnerpensioen te verzekeren. De fiscale ruimte voor het partnerpensioen is dan immers al volledig benut in de basisregeling.

De absolute begrenzing van het partnerpensioen op 70% van het laatstgenoten loon is per 1 januari 2017 vervallen. Dit biedt in deze situatie echter geen fiscale ruimte voor het toezeggen van extra partnerpensioen. Door het vervallen van deze 70%-begrenzing, kan het partnerpensioen weliswaar hoger uitkomen dan de genoemde 70% maar alleen als gevolg van:

  • een lange arbeidzame periode waarover aanspraken worden toegekend, of
  • onderlinge ruil van pensioensoorten.

Het toezeggen en meeverzekeren van het 90%-restitutiekapitaal voor de aankoop van aanvullend partnerpensioen is evenwel geen vorm van ruil. Het meeverzekeren van het restitutiekapitaal vormt in de hiervoor beschreven situatie een oververzekering die leidt tot het toezeggen van een te hoog partnerpensioen. De oververzekering bestaat eruit dat bij overlijden van de werknemer voor de pensioendatum het totaal van het uit het restitutiekapitaal aan te kopen partnerpensioen tezamen met het in de basisregeling verzekerde partnerpensioen hoger uitkomt dan het fiscaal toegestane partnerpensioen. Als voorzienbaar is dat deze voor het partnerpensioen geldende maxima door de eventuele uitkering(en) bij vooroverlijden zullen worden overschreden, is het niet toegestaan uitkeringen van die hoogte toe te zeggen en mee te verzekeren. Er is in deze situatie immers geen sprake van ruil en/of van een uitzonderlijk geval van restbegunstiging als bedoeld in artikel 18, eerste lid, onderdeel a, van de Wet op de loonbelasting 1964 (zie V&A 08-038).”

Let op!

De uitkering van het restitutiekapitaal mag wel worden meeverzekerd voor de aankoop van (aanvullend) partnerpensioen voor zover de fiscale begrenzing op basis van diensttijd, loon, toepassing van de juiste franchise en maximaal fiscaal toegestaan opbouwpercentage, eventueel aangevuld met een fiscaal acceptabele indexatie, nog niet is bereikt. Oververzekering kan dan worden voorkomen door de werkgever of de pensioenverzekeraar als begunstigde op te nemen voor zover het restitutiekapitaal bij overlijden meer bedraagt dan de koopsom voor een fiscaal maximaal aanvullend partnerpensioen (zie ook V&A 08-038).

Deze praktijkvraag is opgesteld naar de stand van zaken op 21 maart 2021

Bron: Centraal Aanspreekpunt pensioenen, Vraag en Antwoord 21-0005