Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Aegon Adfis Praktijkvragen Praktijkvraag: Voorwaarden ODV-uitkeringen van erfgenamen ODV-gerechtigde dga

Praktijkvraag: Voorwaarden ODV-uitkeringen van erfgenamen ODV-gerechtigde dga

Vraag

Een cliënt (dga) van mij is overleden. Hij ontving tot zijn overlijden ODV-uitkeringen uit de BV. Zijn erfgenamen willen de BV opheffen en de ODV-uitkeringen ontvangen van een bank. Onder welke fiscale voorwaarden kan dat?

Antwoord

De fiscale voorwaarden voor de uitvoering van een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting (ODV) staan in artikel 38p van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB). Als de ODV-gerechtigde overlijdt terwijl de ODV-termijnen al zijn ingegaan (zoals in de situatie van uw cliënt), dan gaat het recht op de resterende ODV-termijnen over op de erfgenamen (natuurlijke personen) van de ODV-gerechtigde (artikel 38p, derde lid, Wet LB).

De erfgenamen van uw cliënt kunnen het recht op resterende ODV-termijnen alleen aanwenden voor een lijfrenteproduct in de zin van artikel 3.125 of 3.126a van de Wet IB 2001. Dat volgt uit artikel 38p, eerste lid, Wet LB. U schrijft dat de erfgenamen de lijfrente uitkering willen ontvangen van een bank. De voorwaarden die dan gelden staan in artikel 3.126a Wet IB. U kunt de voorwaarden ook lezen op de site van de belastingdienst.

De erfgenamen kunnen hun geërfde ODV-recht storten op een lijfrente uitstelrekening. Het saldo kan te zijner tijd worden gebruikt voor een oudedagslijfrente of een tijdelijke oudedagslijfrente onder de daarvoor geldende voorwaarden. Voor de oudedagslijfrente geldt bijvoorbeeld dat de uitkeringsduur minimaal 20 jaar moet zijn wanneer deze uitkering ingaat in het jaar waarin de erfgenaam de AOW-leeftijd bereikt. Wanneer de uitkeringen eerder ingaan dan het jaar waarin de erfgenaam de AOW-leeftijd bereikt geldt de voorwaarde dat de uitkeringsduur ten minste 20 jaar plus het aantal jaar dat de uitkeringen eerder ingaat dan de AOW-leeftijd moet zijn. Voor de tijdelijke oudedagslijfrente geldt dat deze niet eerder mag ingaan dan de AOW-leeftijd en niet later dan vijf jaar daarna. De tijdelijke oudedagslijfrente moet minimaal vijf jaar uitkeren en mag per jaar niet hoger mag zijn dan een in de wet opgenomen bedrag.

De erfgenamen kunnen het geërfde ODV-recht niet gebruiken voor een nabestaandenlijfrente omdat zij niet aan de voorwaarden voldoen die de wet daaraan stelt, tenzij de erfgenaam de partner is van uw client.

Bron: Vraag en antwoord 20-008 Centraal Aanspreekpunt Pensioenen

Deze praktijkvraag is opgesteld naar de stand van zaken op 22 juli 2020