Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Pensioen en de formatie – deel 3

1 mei 2017

door Herman Kappelle, Directeur Adfis

Tip voor de formatie: bepaal eerst welke kant we op willen met ons pensioen. 

Nederland is aan het formeren. De herziening van het pensioenstelsel zal waarschijnlijk niet ontbreken in het regeerakkoord. In dit drieluik schrijft Herman Kappelle over wat moet én wat al kan.

Wat een ingewikkelde discussies over de pensioenherziening!

De discussie over de herziening van het pensioenstelsel sleept zich inmiddels al enige tijd voort. Met rapporten, verkenningen en position papers van indrukwekkende omvang. Daardoor wordt de  discussie steeds ingewikkelder. En voor nog maar een handjevol ingewijden te volgen. Eerlijk gezegd haak ik inmiddels ook geregeld af als ik modellen zie waarin de effecten van de diverse varianten tot drie cijfers achter de komma worden berekend. Dat bevordert het draagvlak voor een nieuw stelsel niet.  

Pensioen is vooral een zaak van de sociale partners

Pensioen is een arbeidsvoorwaarde. Dus primair een zaak van de sociale partners. Van werkgever en werknemers dus. Die treffen elkaar op dit punt vooral in de SER, maar blijken niet in staat om tot een breed gedragen gezamenlijk standpunt te komen. De inhoudelijke discussie lijkt zich meer en meer te beperken tot een kleine groep ingewijden. Ook dat is niet bevorderlijk voor een succesvolle dialoog.

Hoe moet het eruit zien en hoe komen we daar?

In de discussies lopen twee zaken door elkaar heen. En omdat die met elkaar worden verbonden, is de discussie zo ontzettend ingewikkeld geworden. Enerzijds gaat het er over wat voor pensioen-stelsel we willen: “Hoe moet het eruit zien?” Daarnaast speelt de vraag wat we doen met de bestaande regelingen? Anders gezegd, hoe komen we daar van A naar B? En daarbij verliezen de partijen het essentiële verschil tussen de opbouw van het pensioen en de financiering daarvan soms uit het oog.

Afschaffing van de doorsneepremie is niet de oplossing

Belangrijk uitgangspunt in de stelselherzieningsdiscussie is de afschaffing van de doorsneepremie. Volgens diverse partijen pakt die oneerlijk uit voor jongeren. Zij zouden hierdoor relatief te veel betalen en minder aanspraken opbouwen dan op basis van de premie zou moeten. Maar zoals ik in mijn vorige blog al schreef, gaat het bij de doorsneepremie niet om de opbouw van aanspraken maar om de financiering  daarvan.

Solidariteit geldt op werkgeverniveau

De opbouw van de aanspraken bedraagt voor iedere deelnemer hetzelfde percentage per dienstjaar en is dus voor jongeren exact hetzelfde als voor ouderen. En de premie die dat vraagt, de doorsneepremie, wordt niet door de deelnemer maar voor de deelnemer betaald. Er is sprake van solidariteit op werkgeversniveau. Werkgevers met een relatief jong bestand subsidiëren werkgevers met een relatief oud bestand binnen hetzelfde pensioenfonds. Maar het is niet zo dat de jongeren bij een werkgever betalen voor de ouderen.

En bij een eigen bijdrage dan?

Dat subsidiëren van de jongeren deelnemer voor de ouderen binnen een bedrijf ligt gevoelsmatig wellicht anders als sprake is van een eigen bijdrage. Die wordt immers uitgedrukt in een percentage van de doorsneepremie of de pensioengrondslag. Maar de verdeling van de totale premie over werkgever en deelnemer kan je nu al op eenvoudige wijze regelen in de pensioenovereenkomst. Daarvoor heb je geen ingrijpende stelselherziening nodig! Hoe? Druk de eigen bijdrage van de deelnemer uit in een percentage van de actuarieel benodigde premie van zijn of haar eigen pensioenaanspraak en dat probleem is opgelost.

Degressieve pensioenopbouw is een andere mogelijke oplossing

Deze simpele weg willen de sociale partners echter niet op. Zij kiezen ervoor een ogenschijnlijk probleem in de financiering (lees ‘de doorsneepremie’) op te lossen door over te gaan naar een andere pensioenopbouw: de degressieve opbouw. Dan ga je dus minder opbouwen naarmate je ouder wordt. En dat maakt de zaak ingewikkeld, met name voor de bestaande regelingen.

Stelsel wijzigen naar degressieve opbouw? Dan gaan de ouderen er op achteruit

Het kenmerk van degressieve opbouw is dat een deelnemer jaarlijks dezelfde premie krijgt, maar daarvoor steeds minder pensioen kan inkopen. Want hoe ouder je wordt, hoe duurder het pensioen is. In de eerste helft van de looptijd ligt de vaste premie boven de verzekeringstechnische premie die je nodig hebt voor de financiering van de aanspraak. In de tweede helft van de looptijd ligt die vaste premie er onder. Iemand die ten tijde van de wijziging van het stelsel dus halverwege zijn pensioenopbouw zit, profiteert niet van de relatief hogere opbouw in de eerste helft van de looptijd. Maar hij of zij krijgt wel te maken met de relatief lagere opbouw in de tweede helft. Die werknemer gaat er in de opbouw van zijn pensioenaanspraken dus op achteruit.

De dubbele transitie lijkt inmiddels het toverwoord

Het is erg ingewikkeld (en duur!) om bij de invoering van een nieuw stelsel die achteruitgang voor ouderen te compenseren. In het jargon heet dat de “dubbele transitie”. Transitie van doorsneepremie naar vaste beschikbare premie. En de transitie van jaarlijks gelijkblijvende opbouw naar degressieve opbouw. Die dubbele transitie lijkt inmiddels het toverwoord om de stelselherziening te financieren. Daarbij gaan de sociale partners eraan voorbij dat dat alleen geldt voor pensioenfondsen. Ongeveer 20%  van alle pensioendeelnemers in Nederland zit in een door een pensioenverzekeraar uitgevoerde regeling. Pensioenverzekeraars kennen geen doorsneepremie, maar financieren de pensioenaanspraken op basis van een actuariële premie. Als de dubbele transitie wordt gebruikt om de overgangsproblematiek te financieren, betalen deze deelnemers dus mee terwijl ze er niet van profiteren…..

Bepaal waar we naar toe willen, daarna pas hoe

Daarom pleit ik er voor om de zaak uit elkaar te halen. Laten we eerst bepalen hoe het nieuwe stelsel er uit moet zien. Daarover schreef ik al in deel 1 van deze trilogie. En als we het daarover eens zijn, kunnen we kijken hoe een eventuele overgangsregeling er uit moet zien. Zowel voor bij pensioenfondsen ondergebrachte regelingen als voor rechtstreeks verzekerde regelingen. Dat vereenvoudigt de discussie enorm. En het vergroot de kans om op afzienbare termijn tot een breed gedragen oplossing te komen.

Herman Kappelle
Herman Kappelle, Directeur Adfis
Herman Kappelle is directeur Aegon Adfis en bijzonder hoogleraar fiscaal pensioenrecht. Aandachtsgebied groot zakelijke markt en de politieke ontwikkelingen rond pensioen.