Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

26 jaar na scheiding nog pensioenverdeling volgens Boon - Van Loon

7 augustus 2013

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden moet beslissen over een beroep op  pensioenverdeling volgens Boon-Van Loon na dat 26 jaren zijn verstreken.

Waar gaat het over?

X en Y trouwden in 1965 in algehele gemeenschap van goederen. In 1983 werd de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven. X en Y hadden een verklaring ondertekend waarin ondermeer stond dat Y geen aanspraak zou maken op financiële tegoeden en/of schulden die waren verworven tijdens het huwelijk.

X bouwde tijdens het huwelijk pensioen op. Het pensioen van X ging in 2005 in. Y bereikte in 2010 de pensioengerechtigde leeftijd.

In 2010 vraagt Y aan twee pensioenfondsen waar het pensioen van X was ondergebracht om opgave van de contante waarde van de tot 1 juli 1983 opgebouwde pensioenen. Y eist van haar ex dat hij ook alle andere pensioenfondsen waarop hij aanspraak heeft tot 1 juli 1983 bekend maakt. Verder eist Y  dat X de verdeling van het ouderdoms- en bijzonder nabestaandenpensioen vaststelt en dit aan haar betaalt.

X bestrijdt de verdeling van de pensioenaanspraken. De rechtbank gaf hem hierin gelijk. De rechtbank was van mening dat Y haar recht op verdeling van de pensioenrechten heeft verloren (verwerkt). Y is het niet eens met de rechtbank en gaat in beroep tegen deze uitspraak.

Uitspraak Gerechtshof

Het Hof stelt Y in het gelijk. Y heeft weliswaar tot 26 jaar na de echtscheiding gewacht voordat zij om verdeling van de pensioenrechten vroeg, maar alleen tijdsverloop of “stilzitten” is niet voldoende voor een geslaagd beroep op rechtsverwerking. Daarvoor is bijvoorbeeld ook nodig dat het vertrouwen is gewekt dat Y haar recht niet (meer) geldend zal maken of dat X onredelijk wordt benadeeld of verzwaard als Y haar aapraak alsnog geldend maakt. Het Hof vindt dat onvoldoende is gesteld of gebleken dat er een gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat Y haar aanspraak op pensioenrechten niet meer geldend zou maken. Het Hof woog daarin mee dat uit de verklaring die X en Y bij de echtscheiding hadden getekend niet blijkt dat onder ‘Financiële tegoeden’ ook de opgebouwde pensioenrechten hoorden. Of dat deze juist waren uitgesloten.

Met een beroep op verjaring door X krijgt hij ook geen voet aan de grond bij het Hof. De pensioenrechten van X betreffen een gemeenschappelijk goed dat nog niet verdeeld is. Het Hof is van mening dat er sprake is van een ‘overgeslagen goed’ waarvoor verjaring niet geldt. Zie ook de uitspraak van Hof Den Bosch waarover wij eerder schreven.

Omdat X stelde dat hij onvoldoende financiële middelen heeft om de pensioenuitkeringen te betalen houdt het Hof de zaak aan. Of de pensioenaanspraken alsnog moeten worden verdeeld hangt af van een nader onderzoek van deze stelling van X.

Commentaar

Wij zijn benieuwd wat het Hof uiteindelijk beslist en op welke wijze zij rekening houdt met de huidige financiële situatie van X. Dat kan ertoe leiden dat Y minder krijgt dan waarop zij volgens het Boon-Van Loon arrest recht heeft.
Deze uitspraak toont maar weer eens aan dat je er niet zeker van kunt zijn dat het pensioen niet meer verdeeld hoeft te worden. Ook niet als er een aantal jaren sinds de scheiding voorbij is gegaan. Het laat ook het belang zien van duidelijke afspraken bij echtscheiding over ondermeer het ouderdoms- en nabestaandenpensioen. En dat die afspraken zodanig worden vastgelegd dat ze later niet op verschillende manieren kunnen worden uitgelegd.

De Wet pensioenverevening bij echtscheiding (WVPS) schept veel duidelijkheid voor de ex-partners en hun recht op een deel van het ouderdomspensioen. Bij een niet-standaardverevening worden de afspraken opgenomen in de huwelijks- of partnerschapsvoorwaarden of in het (echt)scheidingsconvenant. Wanneer er niets wordt afgesproken, geldt volgens de WVPS een 50-50 verdeling. Over de verdeling kan later dus geen discussie ontstaan.

 

Auteur: Vera Hek, adviseur AEGON Adfis
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 juli 2013, D 200.107.290-01.