Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Aan UPO kun je geen vertrouwen ontlenen

15 september 2014

Een deelnemer (X ) krijgt jarenlang een pensioenoverzicht (UPO) waarin hogere pensioenuitkeringen staan dan hij uiteindelijk krijgt. X vindt dat hij recht heeft op het bedrag dat in het UPO staat. De pensioenuitvoerder, de Kantonrechter en het Hof zijn het niet met hem eens. 

Geschil

X bouwde pensioen op bij het ABP. Op 17 augustus 1998 schreef het hoofd P&O van zijn werkgever onder meer het volgende:

“(…) 
In navolging op uw ontslagbesluit sturen wij u hierbij een opgave van de door u te ontvangen wachtgeldvergoeding. 
(…) 
Gedurende de periode waarin u een wachtgelduitkering ontvangt, zullen uw pensioenrechten verzekerd blijven bij het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (Abp). De tijd doorgebracht als wachtgelder telt hierbij mee voor de helft van de diensttijd in de zin van het pensioenreglement. 
(…)”

De wachtgeldvergoeding in deze brief betreft de periode 1 april 1998 tot 1 januari 2011.

Volgens het pensioenreglement telt de periode waarin een werknemer of gewezen werknemer een ontslaguitkering krijgt voor de helft mee.

Vanaf 1 januari 2011 ontvang X van het ABP een ouderdomspensioen van € 16.631,- per jaar. X vindt dat hij recht heeft op een bedrag van € 22.425,- bruto per jaar, overeenkomstig het bedrag dat het APB steeds had opgenomen in de UPO’s.

X krijgt van het ABP en de Kantonrechter geen gelijk en gaat in beroep.

Gerechtshof

Ook van het Hof krijgt X geen gelijk.

X is van mening dat hij mag vertrouwen op de juistheid van de pensioenoverzichten die het ABP hem stuurde. Hij baseert zich hierbij op artikel 3.35 van het Burgerlijk Wetboek.

Het Hof: “Artikel 3:35 BW verbindt aan een gerechtvaardigd vertrouwen eerst rechtsgevolg indien gerechtvaardigd is vertrouwd op een rechtshandeling.” De pensioenoverzichten die het ABP verstrekte kwalificeren niet als een rechtshandeling, aldus het Hof. Met die overzichten verstrekt het ABP informatie aan X over de hoogte van de bruto-pensioenuitkeringen die X krijgt.

Volgens het Hof is het pensioenreglement bepalend voor de vraag of X van het ABP een pensioenuitkering krijgt. Het ABP is de pensioenuitvoerder, hetgeen betekent dat ABP de afspraken uitvoert die zijn neergelegd in de pensioenovereenkomst tussen X en zijn werkgever. In verhouding tussen X en het ABP zijn die afspraken vertaald in het pensioenreglement. Het is dus dit pensioenreglement, en niet de door ABP aan X verstrekte pensioenoverzichten, dat bepalend is voor de vraag of X jegens ABP aanspraak kan maken op een pensioenuitkering, aldus het Hof.

Commentaar

Deze zaak vertoont grote overeenkomst met Rechtbank Noord Holland, 5 juni 2013. Ook daar oordeelde de rechtbank; “De informatie die door middel van de UPO’s.wordt verstrekt, kan niet worden beschouwd als een verklaring of gedraging gericht op een rechtsgevolg in de zin van artikel 3:33 BW. [eiser] kan zich daarom niet beroepen op gerechtvaardigd vertrouwen in de zin van het bepaalde bij artikel 3:35 BW.”

Juridisch gezien een logische en zuivere uitspraak. Het verstreken van een UPO is geen rechtshandeling. Een rechtshandeling is een handeling die is gericht op een rechtsgevolg. En dat is hier volgens het Hof niet het geval. De rechtsgevolgen vloeien voort uit het pensioenreglement. Daarin is opgenomen welke de pensioenaanspraken een deelnemer verwerft. Het UPO is een overzicht van deze aanspraken. Een foutieve UPO doet dus geen andere aanspraken ontstaan. Dat laat natuurlijk onverlet dat van een pensioenuitvoerder verwacht mag worden dat zijn opgaven en informatie juist is. De ervaring leert echter dat dat helaas nog niet altijd het geval is.

Auteurs: Herman Kappelle en Vera Hek, adviseurs Aegon Adfis
Bron: Gerechtshof Den Bosch, 26 augustus 2014, nr. HD 200.140.814_01.