Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Alimentatiestamrecht deze keer niet belast in box 1

23 april 2014

Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de termijnen uit een stamrecht, dat is ontstaan bij de afkoop van een alimentatieverplichting, niet belast zijn als inkomen uit werk en woning. Dat geldt echter alleen voor deze specifieke casus.

Situatie

In 1973 trouwde belanghebbende (hierna: B) met A. Op 31 mei 2001 werd de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de Burgerlijke stand. In het echtscheidingsconvenant is onder meer het volgende overeengekomen:

"Artikel 1.3
De man koopt een gedeelte van de alimentatie die hij met ingang van de datum van ontbinding van het huwelijk van partijen aan de vrouw verschuldigd zal zijn af door storting van een afkoopsom ten bedragen van circa f. 300.000,-- bruto. (…)
Artikel 1.4
Het in artikel 1.3 genoemde bedrag zal door de betreffende levensverzekeringsmaatschappij rechtstreeks aan de vrouw worden uitbetaald in termijnen van circa ƒ 3.000,-- per maand. (…)"

In de polis is onder meer het volgende opgenomen:

"Saldo lijfrente
Deze overeenkomst betreft een verzekering van ingegane onbelaste periodieke uitkeringen.
Ten aanzien van de Voorwaarden Lijfrente Polis geldt:
- (…)
- de uitkeringstermijnen mogen worden bezwaard en/of tot zekerheid worden overgedragen.

De waarde van de verzekering maakt onderdeel uit van de grondslag voor de vermogensrendementsheffing."

A heeft de koopsom in 2001 als persoonsgebonden aftrekpost op zijn inkomen in mindering gebracht als afkoopsom van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting.

B vraagt de aanslag 2010 te verminderen met de periodieke uitkering die zij in 2010 van de verzekeraar heeft ontvangen. In geschil is of de Inspecteur terecht de periodieke uitkeringen die B in 2010 ontving, tot haar belastbare inkomen uit werk en woning heeft gerekend. De Inspecteur vindt van wel.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

De Inspecteur is van mening dat periodieke uitkeringen die rechtstreeks uit het familierecht voortvloeien belast zijn op grond van artikel 3.101, eerste lid onderdeel b, van de Wet IB 2001. Ter vervanging van deze periodieke uitkering heeft A tegen betaling van een koopsom een stamrecht bedongen bij de verzekeraar. De uitkeringen uit dit stamrecht zijn volgens de Inspecteur bij B belast als familierechtelijke periodieke uitkering.

Het Hof is het niet eens met de Inspecteur. Het stamrecht dat A sloot vervangt de familierechtelijke periodieke uitkeringen. De Wet IB bepaalt daarover dat de familierechtelijke periodieke uitkering alleen belast zijn bij de ontvanger als "die worden gedaan door degene die tot de verrekening respectievelijk de vervanging verplicht is." Nu de vervangende periodieke uitkeringen niet door A maar door de verzekeraar worden gedaan, kunnen die periodieke uitkeringen niet op grond van de Wet IB 2001 belast worden.

De Inspecteur heeft volgens het Hof de periodieke uitkeringen daarom ten onrechte tot het belastbare inkomen uit werk en woning gerekend. Het stamrecht behoort, zoals B bepleitte, tot de rendementsgrondslag ter bepaling van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen. Het Hof schrijft in haar uitspraak: "Belanghebbende heeft het voordeel uit sparen en beleggen onweersproken gesteld op nihil. Het Hof zal hiervan uitgaan."

Commentaar

Een bijzondere casus.

Volgens de Wet IB zijn afkoopsommen voor alimentatie aftrekbaar bij de alimentatieplichtige en belast bij de alimentatiegerechtigde. Wanneer de afkoopsom wordt betaald aan een verzekeraar voor een lijfrente is niet de afkoopsom maar zijn de lijfrentetermijnen belast bij de alimentatiegerechtigde. In deze casus werd niet een lijfrente aangekocht maar een periodieke uitkering in box 3. Dit blijkt uit de tekst in de polis. Voor B betekende dit dat B in 2001 circa fl. 300.000 (= afkoopsom alimentatie) box 1 inkomen had moeten aangeven. Wij vermoeden dat B dat niet heeft gedaan. B gaf immers de periodieke uitkeringen die zij ontving van de verzekeraar op als box 1 inkomen?

Na 9 jaar was B opeens van mening dat de periodieke uitkering niet belast moet worden. Dit lijkt geen toeval. Fouten of onjuistheden die de Inspecteur niet ontdekt bij de aanslagregeling kunnen soms nog bij een navorderingsaanslag worden hersteld. Dit moet binnen vijf jaar. Wanneer uitstel voor het doen van aangifte is verleend, wordt de navorderingstermijn verlengd met de duur van het uitstel. Wij vermoeden dat die termijn voor B na 9 jaar wel is verstreken waardoor de Inspecteur niet meer kan navorderen over de afkoopsom. En in dit geval dus ook niet kan heffen over de lijfrentetermijnen.
In de wet LB is dit soort situaties opgelost door artikel 10 vierde lid. Op grond van dat artikel wordt over uitkeringen belasting geheven als achteraf blijkt dat een (pensioen)aanspraak ten onrechte niet in de heffing is betrokken. Wanneer een dergelijke bepaling in de Wet IB was opgenomen, waren de periodieke uitkeringen van B wel belast in box 1 over de periode 2010 tot 1 oktober 2012.

In deze specifieke situatie had de Inspecteur het nakijken. Een deel van de periodieke uitkeringen van B was niet belast in box 1 terwijl A hiervoor wel aftrek heeft gehad.

 

Auteur: Vera Hek, adviseur AEGON Adfis
Bronnen: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 maart 2014