Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Alleen renteaangroei voldoende voor levensloopverlofkorting

7 november 2014

De levensloopverlofkorting is een fiscaal voordeel bij opname uit de levensloopregeling. Deze korting kon je tot 2012 jaarlijks opbouwen bij storting in de levensloopregeling. Maar volgens de Rechtbank Zeeland-West-Brabant is dat niet eens noodzakelijk en is bijschrijven van rendement al voldoende.

Procedure voor de rechtbank

Een man (X) stort in 2006 een eenmalig bedrag op zijn levenslooprekening. Gedurende de jaren 2006 tot 2010 deed hij geen stortingen meer op zijn levenslooprekening. Het saldo op de levenslooprekening groeide wel door de jaarlijks ontvangen rente die werd bijgeschreven op het levenslooptegoed. In 2010 nam X van het levenslooptegoed een bedrag ad € 7.916,- op.

In zijn aangifte inkomstenbelasting 2010 nam X een bedrag op aan levensloopverlofkorting van € 995,-. Dit bedrag is volgens X opgebouwd over de jaren 2006 tot en met 2010. De inspecteur stond slechts  een bedrag van € 199,- toe, betrekking hebbend op het jaar 2006. Volgens de inspecteur bestaat geen recht op de korting over jaren 2007 tot en met 2010 omdat in die jaren geen opbouw heeft plaatsgevonden.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt anders. Ook wanneer een deelnemer niet stort, maar de aangroei slechts bestaat uit het bijschrijven van rente, is er sprake van een (voortgezette) opbouw van een levensloopregeling. De Rechtbank ziet niet in waarom wel sprake zou zijn van opbouw als de man in die jaren telkens € 1,- zou hebben gestort en niet als het eerder gestorte bedrag in deze jaren enkel heeft gerendeerd. De toe te passen levensloopverlofkorting moet dus worden berekend over vijf jaren en bedraagt € 995,- (5 x € 199,-).

Commentaar

Eén van de voorwaarden voor het gebruik van de levensloopkorting is dat er sprake moet zijn van “opbouw van een voorziening in het kader van een levensloopregeling”. Deze voorwaarde stond centraal in de procedure voor de Rechtbank. Betekent “opbouw” dat de deelnemer daadwerkelijk moet storten of is bijschrijven van rente voldoende? In de parlementaire behandeling van het desbetreffende wetsvoorstel is hier aandacht aan geschonken. Uit de Tweede Kamer kwam de vraag of “(…) de inleg van één euro per jaar in een levensloopregeling leidt tot de toekenning van een heffingskorting van € 183” (toenmalige bedrag van de levensloopverlofkorting). Het kabinet reageerde hierop met het volgende antwoord:  “ (…) De hoogte van de levensloopverlofkorting wordt onder meer bepaald door het aantal jaren dat binnen de levensloopregeling is opgebouwd. Hierbij is de hoogte van de inleg in de levensloopregeling in die jaren niet van belang. Wanneer tien jaar lang één euro wordt ingelegd in de levensloopregeling ontstaat hierdoor in beginsel inderdaad een levensloopverlofkorting van tien keer € 183 (bedrag 2006). (…)” 1

De Rechtbank vond dit blijkbaar niet voldoende en oordeelde dat rentebijschrijving ook voldoende is.

Let op: per 1 januari 2012 is de levensloopregeling ingrijpend gewijzigd. Vanaf 2012 is opbouw van levensloopverlofkorting niet meer mogelijk. Lees bijvoorbeeld ons nieuwsbericht uit 17 januari 2013.

Deze uitspraak kan tot 2021 nog toegevoegde waarde hebben. De groep waarvoor deze uitspraak relevant kan zijn wordt wel steeds kleiner. Met ingang van 2013 konden alleen levensloopspaarders met een levensloopsaldo  van meer dan € 3.000,- op 31 december 2011 verder gaan met levensloopsparen. Voor hen eindigt het levensloopsparen (en de levensloopverlofkorting) op 1 januari 2021.

 

Auteur:  Erik Schouten, adviseur Aegon Adfis
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant ECLI:NL:RBZWB:2014:6319, 21 augustus 2014

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 7 november 2014

 

1 NV, Kamerstukken II 2005/2006, 30306, nr. 6, p. 9.