Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Antwoorden op vragen Eerste Kamer Witteveen-2015

10 april 2014

Op 7 april gaf het kabinet antwoord op veel vragen van de Eerste Kamer op het wetsvoorstel Witteveen-2015. Hierna bespreken wij enkele antwoorden uit de memorie van antwoord.

Met terugwerkende kracht aanpassen van een pensioenregeling

In ons nieuwsbericht van 10 maart stonden wij uitgebreid stil bij de mogelijkheid om een pensioenregeling met terugwerkende kracht aan te passen. Naar onze mening is de huidige wettelijke mogelijkheid niet bedoeld en niet geschikt om meer tijd te krijgen om een pensioenregeling aan te passen aan het nieuwe, verlaagde Witteveenkader per 1 januari 2015. Enkele fracties in de Eerste Kamer vroegen naar deze mogelijkheid.

Volgens het kabinet kan een pensioenregeling ter beoordeling worden voorgelegd aan de inspecteur (voetnoot: 1) . Hiermee krijgt de werkgever vooraf rechtszekerheid over de aanvaardbaarheid van de voorgenomen wijzigingen in de pensioenregeling. De inspecteur beslist of de voorgelegde regeling voldoet aan de daaraan fiscaal te stellen voorwaarden. De voorgelegde regeling kan direct worden ingevoerd. Als onherroepelijk komt vast te staan dat de regeling niet voldoet aan de fiscale voorwaarden moet de regeling direct en met terugwerkende kracht tot en met het tijdstip van ingang van de regeling worden aangepast zodat de regeling wel voldoet. Eventueel ten onrechte niet tot het loon gerekende premies worden dan bij de werknemer alsnog als loon belast.

De Belastingdienst staat onder voorwaarden toe dat het verzoek aan de inspecteur beperkt blijft tot een volledige weergave van de tussen de betrokken partijen gemaakte afspraken over de pensioenregeling en verwijzing naar een nog te ontwerpen definitieve tekst van de regeling. De inspecteur zal pas na ontvangst van de volledige concepttekst van de regeling overgaan tot een beoordeling. Van deze mogelijkheid zal ook gebruikgemaakt kunnen worden voor het aanpassen van de pensioenregeling aan de uit het nu voorliggende wetsvoorstel voortvloeiende wijzigingen van het fiscale pensioenkader. Indien noodzakelijk kan de door de Belastingdienst gehanteerde termijn voor het indienen van de volledige concepttekst van de regeling (nu zes maanden) worden verlengd.

Uitvoerders tijdig klaar met aanpassen?

Verschillende fracties vragen of het kabinet het reëel acht dat pensioenfondsen en verzekeraars op 1 januari 2015 zullen beschikken over aangepaste pensioenregelingen. Het kabinet antwoordt er vertrouwen in te hebben dat de pensioenuitvoerders deze aanpassing voortvarend zullen oppakken omdat zij inmiddels ervaring hebben met de verwerking van de versoberingen van het Witteveenkader per 2006 en 2014. Daarnaast zal het kabinet zich ook inzetten om de implementatie te vergemakkelijken. Hiervoor is al de mogelijkheid voor pensioenuitvoerders aan de orde gekomen om gebruik te maken van de wettelijke mogelijkheid om pensioenregelingen die voor 1 januari 2015 ter beoordeling zijn voorgelegd aan de Belastingdienst met terugwerkende kracht aan te passen aan het Witteveenkader.

Daarnaast zal de Belastingdienst de mogelijkheid bieden aan werkgevers en/of pensioenuitvoerders om conceptpensioenregelingen centraal ter beoordeling voor te leggen. De Belastingdienst is ook altijd bereid tot vooroverleg over pensioenregelingen. Tot slot zal een heldere communicatie opgezet worden richting het pensioenveld. Hierbij kan gedacht worden aan het publiceren van aangepaste uniform toepasbare beschikbare premiestaffels.

Premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid

Een arbeidsongeschikte deelnemer wiens pensioenopbouw premievrij wordt voortgezet, zal meestal niet gecompenseerd worden voor een versobering van de pensioenregeling.
In pensioenregelingen van pensioenfondsen is doorgaans bepaald dat arbeidsongeschikte deelnemers  premievrij blijven deelnemen aan de pensioenregeling. De voortgezette pensioenopbouw van de arbeidsongeschikte deelnemers komt voor rekening van het pensioenfonds. De versobering van die pensioenopbouw zal leiden tot een verlaging van benodigde premie. Bij pensioenregelingen die verzekeringsmaatschappijen uitvoeren wordt de pensioenverzekering veelal gecombineerd met een verzekering voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. In dat geval komen de pensioenpremies voor de arbeidsongeschikte werknemer voortaan voor rekening van de verzekeraar. Ook in die situatie geldt als uitgangspunt dat de pensioenregeling van de arbeidsongeschikte werknemer moet worden aangepast aan de wijzigingen van de fiscale regels voor pensioen.

Voor de situatie dat een voortgezette premiebetaling voor rekening van het pensioenfonds of de verzekeraar civielrechtelijk definitief is geworden op het moment dat de fiscale pensioenregels worden gewijzigd, is goedgekeurd dat de pensioenopbouw niet aangepast hoeft te worden. In dat geval zal de versobering van het fiscale pensioenkader dus geen gevolgen hebben voor de voortgezette pensioenopbouw van een arbeidsongeschikte, aldus het kabinet. De voorwaarden die daarvoor gelden zijn opgenomen in een besluit (voetnoot: 2).

Gevolgen arrest ATP Pensionservice

Verschillende fracties vragen naar de consequenties en gevolgen van het arrest ATP PensionService en naar het effect van dit arrest op de dekking van het onderhavige wetsvoorstel. In het arrest ATP PensionService (ATP-arrest) heeft het Europese Hof van Justitie (hierna: het HvJ EU) een oordeel gegeven over de reikwijdte van de btw-vrijstelling voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen. Het ATP-arrest heeft volgens het kabinet geen betrekking op de btw-koepelvrijstelling. De beperking van de btw-koepelvrijstelling voor pensioenadministratiediensten wordt als zodanig naar de mening van het kabinet dan ook niet geraakt door het arrest. Het arrest heeft dan ook geen effect op de dekking van het wetsvoorstel. Zie ook ons nieuwsbericht van 24 maart 2014.

Netto lijfrente in de tweede pijler (netto pensioen)

Het kabinet bevestigt dat het uitvoeren van een nettolijfrente in de tweede pijler alleen mogelijk is als er sprake is van pensioen in de zin van de Pensioenwet.

Een nettolijfrente kan alleen gebruikt worden door personen met een inkomen boven de grens van € 100.000 (drie keer modaal). Onderstaande tabel laat zien dat het aandeel werknemers met een inkomen van meer dan € 100.000 erg beperkt is (2% van alle werknemers).

Tabel 1: verdeling looninkomen 2013 (in % van totaal)

Loonklasse

Alle werknemers 55-65 jaar Overig
<modaal 60% 47% 61%
1-2 keer modaal 33% 39% 33%
2-3 keer modaal 5% 10% 5%
3-4 keer modaal 1% 3% 1%
meer dan 4 keer modaal 1% 2% 1%
Totaal 100% 100% 100%

Commentaar

De antwoorden op de vragen van de Eerste Kamerfracties zijn niet echt verrassend. Wat ons wel opvalt is dat het kabinet nog steeds spreekt over nettolijfrente in de tweede pijler. Waarom niet netto pensioen? Het kabinet bevestigt dat 'nettolijfrente in de tweede pijler' onder de Pensioenwet valt. Reden temeer om over netto pensioen te praten! Zuivere terminologie voorkomt misverstand.

Wij betwijfelen of het kabinet zich de impact realiseert van het inzetten van de regeling van de faciliteit in de Wet LB om een pensioenregeling met terugwerkende kracht te mogen aanpassen. Een regeling die daarvoor daar voor volgens de wetsgeschiedenis niet bedoeld is. In Nederland zijn ongeveer 42.000 regelingen bij verzekeraars ondergebracht. Daarvan moet naar verwachting 95% worden aangepast aan het verlaagde Witteveenkader - 2015. Hoe gaat de belastingdienst ongeveer 40.000 verzoeken om aanwijzing organiseren?

 

Auteur: Erik Schouten, adviseur Aegon Adfis
Bron: Memorie van Antwoord, Eerste Kamer, 33 847, D, 7 april 2014
 

Voetnoot 1: Artikel 19c van de Wet op de loonbelasting 1964

Voetnoot 2: Besluit van 20 december 2013, nr. BLKB2013/2199M, Stcrt. 2013,35880.