Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

"Beschikbare premieregelingen geven een adequaat pensioen"

14 maart 2013

Tweede Kamerlid Omtzigt stelde in november vorig jaar vragen aan de staatssecretaris van Sociale Zaken over beschikbare premieregelingen (DC-regelingen). Hij maakte zich zorgen of deelnemers aan een dergelijke regeling wel een adequaat pensioen kunnen opbouwen. De staatssecretaris antwoordt bevestigend.

Aanleiding

Naar aanleiding van een artikel van Mercer uit 2011 met de titel “Binnenkort einde aan DB en DC?” stelde Omtzigt op 27 november 2012, 14 vragen aan de staatssecretaris van Sociale Zaken over DC-regelingen. Normaal gesproken moet de betreffende minister binnen drie weken een antwoord op Kamervragen geven, maar blijkbaar waren deze vragen erg ingewikkeld. In plaats van drie weken heeft het ministerie ruim drie maanden de tijd genomen om tot antwoorden te komen.

Van DB naar DC?

In de vragen die Omtzigt stelde gaat hij  er vanuit dat veel werkgevers - onder andere vanuit kostenoverwegingen - overstappen van een uitkeringsovereenkomst (DB) naar een DC-regeling. Klijnsma nuanceert dat beeld door te antwoorden dat de kosten van een DC-regeling niet per definitie lager zijn dan de kosten van een DB-regeling. Wel zijn de kosten van DC-regelingen voor een werkgever beter voorspelbaar en hebben zij stabielere financiële risico’s. Dat kan een reden zijn om over te stappen. Ook de internationale boekhoudregels spelen een rol bij de beslissing tot het maken van de overstap. Het aantal werknemers dat deelneemt aan een DC-regeling is overigens beperkt. Een grote meerderheid van werknemers neemt momenteel deel DB-regeling, met name in de vorm van een middelloontoezegging. Het gaat hierbij in totaal om bijna zes miljoen werknemers (2012). Een verhoudingsgewijs bescheiden groep werknemers neemt deel in een DC-regeling. Dit aantal is de laatste jaren toegenomen van circa 600.000 in 2009 naar bijna 750.000 in 2011. Dat is een stijging van 9 naar 11%.

Adequate pensioenopbouw?

Op de vraag of deelnemers aan een DC-regeling een adequaat pensioen kunnen opbouwen, antwoordt Klijnsma dat dit mogelijk is binnen het wettelijke kader.

De premiestaffels die door de Belastingdienst worden gepubliceerd veronderstellen een lange termijn rendement van 4%. Omtzigt vraagt hoeveel pensioen een voorbeeld-werknemer opbouwt wanneer zijn werkgever elk jaar het fiscale maximum stort en het jaarlijkse rendement 2,4% is. Klijnsma antwoordt dat over de gehele periode 1,6% minder rendement gehaald wordt dan wettelijk is aangenomen. Een dergelijk rendement zou uiteindelijk leiden tot een 35% lager pensioenresultaat dan het fiscale maximum voor uitkeringsovereenkomsten.

Het percentage van 2,4 komt niet uit de lucht vallen. Dat is namelijk het voorbeeldpercentage dat dit jaar op het Uniform Pensioen Overzicht (UPO) gebruikt wordt. Om er zeker van te zijn dat de rente in de opbouwfase (4%) en de rente op het aankoopmoment (2,4%) niet door elkaar worden gehaald stelt Klijnsma fijntjes “Voor de duidelijkheid merk ik op dat het hier gaat om een voorbeeldrekenrente die wordt gehanteerd voor de inkoop van uitkeringen op pensioendatum. Het rentepercentage heeft dus geen betrekking op het feitelijke rendement dat gedurende de gehele opbouwfase daadwerkelijk wordt bereikt.”

Klijnsma voegt hier aan toe dat voor de vaststelling van de fiscale premiestaffels vooral het te verwachten lange termijn rendement voor de opbouw van kapitaal van belang is, en niet de marktrente. Over het geheel genomen is 4% een redelijke basis voor de premiestaffel, mede gelet op rendementen die in de afgelopen decennia konden worden behaald. 
Een andere vraag van Omtzigt betreft het rendement dat nodig is om hetzelfde pensioenresultaat te behalen als bij een middelloonregeling met 2% onvoorwaardelijke indexatie. Volgens Klijnsma is er dan een lange termijn rendement nodig van iets meer dan 6%. Naar onze mening is deze vraag echter niet realistisch. Middelloonregelingen met een 2% onvoorwaardelijke stijging komen tegenwoordig zelden voor. De meeste middelloonregelingen kennen een voorwaardelijke indexatietoezegging. Dat betekent dat het pensioen bij dergelijke regelingen alleen wordt geïndexeerd als de vermogenspositie van het pensioenfonds dat toelaat.

Commentaar

Tussen de tijd van publicatie van het artikel dat ten grondslag ligt aan de vragen van de Omtzigt en de publicatie van de antwoorden zit een periode van bijna 16 maanden. Tegenwoordig is dat in pensioenland een eeuwigheid… Het huidige pensioenlandschap is niet meer hetzelfde als dat van anderhalf jaar geleden. Omtzigt lijkt met zijn vragen aan de staatssecretaris een vergelijking te willen maken tussen ‘pure’ DB en ‘pure’ DC regelingen. De staatssecretaris geeft daar netjes antwoord op. Maar dat gaat voorbij aan de boodschap van het artikel. Namelijk dat DB- en DC-regelingen zich steeds minder in ‘pure’ vorm voordoen en naar elkaar toeschuiven. En het blijkt dat ze dan ineens erg verwant zijn.

 

Auteur: Erik Schouten, adviseur AEGON Adfis
Bron:  Antwoorden van de staatssecretaris van Sociale Zaken van 7 maart 2013.