Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

EU Hof: overheid moet pensioenen beschermen bij faillissement werkgever

6 mei 2013

Het Europese Hof van Justitie (HvJ) deed onlangs uitspraak in een zaak tegen Ierland. Dat land voldeed niet aan haar verplichtingen om pensioenaanspraken te beschermen in het geval van faillissement van de werkgever. Volgens het Hof zijn lidstaten verantwoordelijk om er voor te zorgen dat minimaal 49% van het pensioen kan worden uitgekeerd. De gevolgen voor Nederland zijn te verwaarlozen.

Procedure

De zaak is aangespannen door tien ex-werknemers van een Iers bedrijf. Zij namen tot januari 2009, het moment waarop het bedrijf failliet werd verklaard, verplicht deel aan een eindloonregeling. Ten tijde van het faillissement bleek dat het aanwezige vermogen in het pensioenfonds ruim onvoldoende was om aan de pensioenverplichtingen te kunnen voldoen. Afhankelijk van de individuele situatie ontvangen de ex-werknemers maar 18 tot 28% van hun pensioenaanspraken.

De werkgever was zich er zich van bewust dat het pensioenfonds onvoldoende middelen had om de pensioenen uit te keren waarop de werknemers recht hadden volgens de pensioenregeling. Dit tekort aan middelen werd onder meer veroorzaakt door de economische crisis, de beleggingsresultaten en de stijgende levensverwachting. De werkgever kan hiervoor echter niet (wettelijk) aansprakelijk gesteld worden omdat dit niet het gevolg is van het faillissement maar wordt veroorzaakt door externe factoren.
De ex-werknemers stellen de Ierse staat aansprakelijk en eisen een schadevergoeding. Zij zijn van mening zijn dat artikel 8 van Richtlijn 2008/94/EG (de EU-richtlijn die de rechten van werknemers bij insolventie van een werkgever beschermt) van de overheid eist dat zij altijd tenminste de helft van een aanvullend pensioen garandeert.

Arrest HvJ

Volgens artikel 8 van de richtlijn moeten de lidstaten ervoor zorgen dat zij de nodige maatregelen treffen om de belangen van de (ex-)werknemers te beschermen bij insolventie van de werkgever met betrekking tot hun pensioenrechten. Dit geldt voor zowel het ouderdoms- als het nabestaandenpensioen.

Volgens het HvJ is deze bepaling van toepassing wanneer het" voor een of meer bedrijfstakken geldend aanvullend stelsel van sociale voorzieningen" (hier: aanvullende pensioen) onvoldoende is gefinancierd op het tijdstip waarop de werkgever in staat van insolventie verkeert. En dat de werkgever, wegens zijn insolventie, niet over de middelen beschikt die noodzakelijk zijn om voldoende bij te dragen om ervoor te zorgen dat de begunstigden van het pensioen hun volledige pensioenuitkeringen ontvangen. Het resultaat van de toepassing van de nationale maatregelen bepaalt of een lidstaat de bij artikel 8 van richtlijn 2008/94 vastgestelde verplichtingen correct is nagekomen. Volgens het HvJ is de economische situatie van Ierland niet zodanig uitzonderlijk dat zij rechtvaardigt dat een lager beschermingsniveau geldt voor de belangen van de werknemers met betrekking tot hun rechten op ouderdomsuitkeringen.

Wanneer maatregelen van een lidstaat er niet toe leiden dat de werknemers meer dan 49 % ontvangen van de waarde van de door hen opgebouwde rechten op ouderdomsuitkeringen, levert dat een schending op van de verplichtingen die rusten op die lidstaat. De rechter in Ierland moet bepalen welke schadevergoeding de Ierse staat moet betalen aan de gedupeerden.

Commentaar

Uit Richtlijn 2008/94EG, deze uitspraak en eerdere jurisprudentie van het HvJ maken duidelijk dat een lidstaat de verplichting heeft om te garanderen dat werknemers minimaal 49% van hun salarisdiensttijd pensioen ontvangen wanneer de werkgever failliet gaat. De slechte economische of financiële situatie van een land maken dit niet anders. Wanneer een land deze verplichting niet nakomt, kan de benadeelde (ex-)werknemer van dit land een schadevergoeding eisen.
De vraag is nu wat de relevantie van dit arrest voor Nederland is. Naar onze mening is dit erg beperkt. In de Pensioenwet zijn strikte voorwaarden opgenomen voor wat betreft de premiebetalingsverplichting van de werkgever en de mogelijkheden die een pensioenverzekeraar heeft in geval van premieachterstand. Daarnaast geeft de verzekeraar een garantie af dat pensioenuitkeringen uit een salarisdiensttijdregeling ook werkelijk uitgekeerd kunnen worden. Hiervoor gelden strenge solvabiliteiteisen die door DNB gecontroleerd worden.

Bij een pensioenfonds is dat anders. Ook hierbij geldt de premiebetalingsverplichting van de werkgever. De Pensioenwet kent veel meer voorwaarden die de werknemer beschermen zoals de eis van een kostendekkende premie en de maatregelen die een fonds moet nemen wanneer de dekkingsgraad onvoldoende is. Wanneer een fonds een dekkingstekort heeft, kan het als laatste redmiddel afstempelen. Alle maatregelen die een fonds neemt zijn erop gericht om de dekkingsgraad weer op peil te brengen. De kans dat het fonds meer dan 50% moet afstempelen, is naar onze mening puur theoretisch.

Het arrest heeft gevolgen voor de Nederlandse overheid wanneer de theoretische omstandigheid zich voordoet dat een pensioenfonds meer dan 50% moet afstempelen én wanneer de betreffende  werkgever failliet gaat. Vooral bij bedrijfstakpensioenfondsen is dat risico te verwaarlozen. Bij ondernemingspensioenfondsen zou dit risico iets hoger kunnen zijn, maar naar onze mening nog steeds minimaal.
Het CDA-Tweede Kamerlid Pieter Omtzigt heeft de staatssecretaris van Sociale Zaken en de minister van Buitenlandse Zaken overigens gevraagd of de Nederlandse staat aansprakelijk kan worden gesteld voor verliezen bij pensioenfondsen en -regelingen en bij korting op pensioenen.

 

Auteur: Erik Schouten, adviseur AEGON Adfis

Bron: Zaak C 398/11