Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Europese aanval op Nederlandse premiestaffels?

1 november 2013

Het Europese Hof van Justitie (HvJ) oordeelde dat een leeftijdsafhankelijke premie voor een beschikbare premieregeling niet per definitie  leeftijdsdiscriminatie is. Maar dan moet er wel voldaan zijn aan de voorwaarde dat het onderscheid passend en noodzakelijk is om een legitieme doelstelling te bereiken. Wat betekent deze uitspraak voor onze beschikbare premiestaffels?

De casus

De zaak waarover het HvJ uitspraak deed was aangespannen door een Deense werkneemster, Glennie Kristensen. Zij vond dat zij gediscrimineerd werd. Oudere collega's kregen een hogere pensioenbijdrage van de werkgever, Experian. Zij ging in 2007 bij Experian werken en was toen 29 jaar. Vanaf augustus 2008 nam zij deel aan de pensioenregeling.

De pensioenregeling vloeit voort uit de tussen Experian en haar werknemers gesloten arbeidsovereenkomsten.

De premiestaffel van deze pensioenregeling is de volgende:

Leeftijdcategorie Werknemersbijdrage Werkgeversbijdrage
 Tot 35 jaar 3% 6%
35-44 jaar 4% 8%
Ouder dan 45 jaar 5% 10%

 

Gelijke behandeling in de Europese Richtlijn

Volgens de Europese Richtlijn voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (zie voetnoot 1)  is ongelijke behandeling op grond van leeftijd in principe verboden. Hierop is een aantal uitzonderingen. Zoals de 'pensioenuitzondering' waardoor een vaste toetredingsleeftijd tot een pensioenregeling of een vaste pensioendatum wel is toegestaan. Ook leeftijdscriteria in actuariële berekeningen vallen onder deze uitzondering (zie voetnoot 2). En verder kan er sprake zijn van een 'objectieve rechtvaardiging'.

Hof toetst aan de Europese Richtlijn

HvJ oordeelt dat de pensioenregeling van Experian onderscheid oplevert op grond van leeftijd. Dit verbiedt de Europese Richtlijn. Het Hof stelt dat de 'pensioenuitzondering' niet van toepassing is.
Het belangrijkste onderdeel in het arrest is het onderzoek van het Hof of de leeftijdsafhankelijke premiestaffel onder gevallen valt die de Richtlijn bedoelt. Namelijk "de vaststelling [...] van een toetredingsleeftijd of van een leeftijd voor het verkrijgen van het recht op pensioen? of invaliditeitsuitkeringen", inclusief het "gebruik [...] in het kader van die regelingen, van leeftijdscriteria in de actuariële berekeningen".
Het Hof stelt vast dat de pensioenverzekering van Experian geen toetredingsleeftijd kent. Hierdoor vormt de leeftijdsafhankelijke premiestaffel in deze pensioenregeling op zich geen "vaststelling [...] van een toetredingsleeftijd of van een leeftijd voor het verkrijgen van het recht op pensioenuitkering" in de zin van artikel 6, lid 2, van de richtlijn.
Verschillende partijen die ook een belang in deze rechtszaak hebben (zoals de Deense, de Belgische en de Duitse regering en de Europese Commissie) voeren echter aan dat deze bepaling uit de Richtlijn anders moet worden uitgelegd. Namelijk dat zij niet enkel geldt voor de vaststelling van een toetredings- of pensioenleeftijd maar tevens voor minder ernstige vormen van discriminatie op grond van leeftijd, zoals die in deze zaak aan de orde is.

Het Hof is het niet hiermee eens. De pensioenpremies vormen een bestanddeel van het salaris van de werknemers van Experian. De leeftijdsafhankelijke staffel kan dus gevolgen hebben die verder strekken dan een eenvoudige vaststelling van een toetredings- of pensioenleeftijd. Verder legt het Hof artikel 6, lid 2 van de richtlijn restrictief uit. Daarom vallen binnen de werkingssfeer van deze bepaling niet alle elementen vallen die kenmerkend zijn voor een pensioenregeling, zoals de vaststelling van de hoogte van de premie, maar enkel die elementen die uitdrukkelijk in die bepaling zijn vermeld.
Om diezelfde reden kan een dergelijke vaststelling ook niet worden gelijkgesteld met een "gebruik [...] van leeftijdscriteria in de actuariële berekeningen" omdat deze vaststelling in ieder geval niet leidt tot een vaststelling van een toetredings- of pensioenleeftijd. Hieruit volgt dat de leeftijdsafhankelijke premiestaffel niet onder artikel 6, lid 2, van richtlijn 2000/78 valt.

Nadat het Hof heeft vastgesteld dat de leeftijdsafhankelijke staffel niet onder de uitzondering van de Richtlijn valt, kijkt het Hof of er sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond. Het onderscheid moet dan in het kader van de nationale wetgeving objectief en redelijk gerechtvaardigd zijn door een legitiem doel, met inbegrip van legitieme doelstellingen van het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding. En de middelen voor het bereiken van dat doel moeten dan passend en noodzakelijk zijn.

De Deense overheid en Experian, gaven daarvoor de volgende argumenten:

  • Oudere werknemers kunnen dankzij de voor hen geldende hogere werkgevers? en werknemersbijdragen een redelijk pensioenbedrag bijeen sparen. Zelfs wanneer deze werknemers zich relatief laat bij de betrokken pensioenverzekering hebben aangesloten.
  • Jonge werknemers kunnen ook deelnemen aan de pensioenregeling omdat deze regeling openstaat voor elke werknemer van Experian, ongeacht de leeftijd. De financiële last voor jongere werknemers is  lichter omdat de door hen te betalen bijdragen lager zijn dan de door oudere werknemers te betalen bijdragen.
  • Daarnaast lijken de toepassing van hogere werkgevers? en werknemersbijdragen voor oudere werknemers in beginsel passend vanwege de verzekering van de risico's van overlijden, arbeidsongeschiktheid en ernstige ziekte. De kosten zijn voor ouderen hoger dan voor jongeren.

Het HvJ vindt deze argumentatie niet onredelijk. Het verwijst terug naar een Deense rechtbank om uitspraak te doen. Het Hof wijst er op dat de Deense rechtbank in het bijzonder rekening moet houden met de omstandigheid dat, aan de ene kant deze verzekering voordelig was voor Kristensen aangezien haar werkgever bijdragen voor haar heeft betaald. Aan de andere kant stemmen de lagere werkgeversbijdragen met de lagere werknemersbijdragen overeen, zodat het percentage van het basissalaris dat Kristensen zelf op haar pensioenspaarrekening moest storten, lager was dan het percentage van een werknemer die ouder is dan 45. Het staat aan de verwijzende rechter om deze elementen tegen elkaar af te wegen.

Bom onder Nederlandse premiestaffels?

De conclusie van het Hof luidt (vrij vertaald) als volgt. Een pensioenregeling waarvoor een werkgever, als bestanddeel van het salaris, pensioenbijdragen betaalt die hoger worden naar gelang de leeftijd van de werknemer, is mogelijk. Het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling op grond van leeftijd moet dan wel passend en noodzakelijk zijn om een legitieme doelstelling te bereiken. Dit arrest van het HvJ zorgt voor onduidelijkheid in Nederland.
Nederland heeft de Richtlijn begin deze eeuw omgezet in de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (Wgbla). In deze wet is een uitzondering op het verbod van onderscheid op pensioengebied opgenomen in artikel 8 (zie voetnoot 3) , gebaseerd op de drie uitzonderingen van de richtlijn. Deze drie uitzonderingen zijn de toetredingsleeftijd, de pensioenleeftijd (beide opgenomen in artikel 8 lid 2 Wgbla) en verschillen op grond van actuariële berekeningen (opgenomen in artikel 8 lid 3 Wgbla).
Uit het arrest van het Hof kun je de conclusie trekken dat er slechts twee uitzonderingsgronden zijn: de toetredingsleeftijd en pensioenleeftijd. Verschillen op basis van actuariële berekeningen vallen hier niet onder. Op basis van het arrest zou je kunnen zeggen dat artikel 6 lid van de Richtlijn niet goed is omgezet in artikel 8, lid 3 Wgbla. 
Maar om nu te zeggen dat "er een bom onder de Nederlandse premieregeling ligt" (zoals al in sociale media is gesuggereerd) gaat wel erg ver.

De premiestaffel die in de procedure centraal staat, lijkt vrij willekeurig gekozen. Premiestaffels die in Nederland gebruikelijk zijn, zijn vrijwel altijd gebaseerd op de premiestaffels die door de belastingdienst zijn gepubliceerd. Een kenmerk van deze staffels is dat de hoogte van de beschikbare premie zodanig is vastgesteld dat het pensioenresultaat op pensioendatum voor iedere leeftijdscategorie hetzelfde is. En dat is een wezenlijk verschil met de onderhavige casus. De - op het eerste gezicht vrij willekeurig - gekozen percentages leiden voor oudere en jongere deelnemers die overigens in dezelfde omstandigheden verkeren tot verschillende pensioenresultaten op pensioendatum. En dat is nu juist anders in de Nederlandse systematiek. De verschillen in de premies tussen jongeren en ouderen zijn zodanig gekozen dat het pensioenresultaat voor deelnemers die overigens in dezelfde omstandigheden verkeren op pensioendatum hetzelfde is. Met andere woorden een 25-jarige met een salaris van € 30.000 bouwt evenveel pensioen op als zijn 50-jarige collega met hetzelfde salaris. En dat lijkt mij een belangrijke objectieve rechtvaardigingsgrond. Er is immers geen andere manier om ervoor te zorgen dat in een beschikbare premieregeling iedere werknemer een vergelijkbaar pensioen opbouwt.

En wat nu als er een pensioenregeling is met een volledige eigen bijdrage? Dan is het arrest van het HvJ niet van belang omdat deze alleen ziet op de werkgeversbijdrage. Dan zijn we van alle juridische onzekerheid af. Maar of wij hier in Nederland nu naar toe willen?

Daarnaast vragen wij ons het volgende af. Tot nu toe gingen uit van drie uitzonderingsgronden: toetredingsleeftijd, pensioenleeftijd en verschillen op basis van actuariële berekeningen. Maar als deze laatste uitzondering alleen maar is toegestaan als er een objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat, waarom is deze dan in de Richtlijn opgenomen? De objectieve rechtvaardigingsgrond kan ook gevonden worden zonder dat de actuariële berekening in de Richtlijn is opgenomen. Toetredingsleeftijd en pensioenleeftijd hebben op zich geen invloed op de premie. En dus ook niet op de actuariële berekeningen.

Naar onze mening wordt de soep niet zo heet gegeten als zij wordt opgediend en moeten we voorzichtig zijn om (te) snel (te) vergaande conclusies te trekken. Maar we moeten oppassen dat de oplossingsrichting niet de kant op gaat die Nederland niet wil.

Het laatste woord is hier nog niet over gesproken, verwachten wij.

 

Auteur: Erik Schouten, adviseur Aegon Adfis

Bron: Conclusie en arrest Zaak C?476/11

 1) Richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gel?ke behandeling in arbeid en beroep, PB L 303/17, 2-12-2000.
 2) Artikel 6, lid 2 van de richtlijn (met de titel "Rechtvaardiging van verschillen in behandeling op grond van leeftijd") , luidt als volgt: "Niettegenstaande artikel 2, lid 2, kunnen de lidstaten bepalen dat de vaststelling, in ondernemings? en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid, van een toetredingsleeftijd of van een leeftijd voor het verkrijgen van het recht op pensioen? of invaliditeitsuitkeringen, inclusief de vaststelling van verschillende leeftijden voor werknemers of voor groepen of categorieën werknemers, in de ondernemings? en sectoriële regelingen inzake sociale zekerheid, en het gebruik, in het kader van die regelingen, van leeftijdscriteria in de actuariële berekeningen, geen discriminatie op grond van leeftijd vormt, mits dat niet leidt tot discriminatie op grond van geslacht."
3) Artikel 8, lid 2 WGBLA: "Het verbod van onderscheid is niet van toepassing op in pensioenvoorzieningen vastgelegde toetredingsleeftijden en op pensioengerechtigde leeftijden, alsmede op de vaststelling van verschillende toetredings- en pensioengerechtigde leeftijden voor werknemers of voor groepen of categorieën van werknemers." Lid 3 luidt "Het verbod van onderscheid is niet van toepassing op actuariële berekeningen bij pensioenvoorzieningen waarbij met leeftijd rekening wordt gehouden."