Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Geen getekende uitvoeringsovereenkomst, geen pensioen

22 maart 2013

Ter bescherming van de werknemer moeten werkgevers het overeengekomen pensioen extern verzekeren. Door de uitvoeringsovereenkomst tussen de werkgever en de pensioenuitvoerder voldoet de werkgever aan zijn onderbrengingsplicht. De Pensioenwet schrijft voor dat de uitvoeringsovereenkomst schriftelijk moet zijn. Voor een schriftelijke uitvoeringsovereenkomst is bepalend dat beide bij de overeenkomst betrokken partijen daaronder hun handtekening hebben geplaatst, aldus De Centrale Raad van Beroep (CRvB).

 

De CRvB zet de deelnemer hiermee in de kou, terwijl hij door het vereiste van een schriftelijke uitvoeringsovereenkomst beschermd zou moeten worden.

De casus

Een werknemer (hierna A) treedt op 1 oktober 2008 in dienst bij werkgever (hierna B). Volgens de arbeidsovereenkomst bouwt A pensioen op bij B. B houdt daarvoor pensioenpremie in op het loon van A en betaalt die pensioenpremie aan de pensioenverzekeraar. Op 14 april 2010 gaat B failliet. De pensioenverzekeraar stort – op verzoek van de curator - de pensioenpremies terug die B heeft betaald. A vraagt het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen Uwv de premiebetaling voor het pensioen van B over te nemen.

Uwv en rechtbank

Volgens het Uwv is er tussen A en B geen pensioenovereenkomst tot stand is gekomen omdat de uitvoeringsovereenkomst niet door beide partijen is ondertekend. B was daardoor geen pensioenpremies voor A verschuldigd. Het Uwv vindt dat zij daarom de premiebetaling niet hoeft over te nemen van B. A ging hiertegen in beroep.

De rechtbank stelt het Uwv in het gelijk. De rechtbank stelt vast dat het kennelijk de bedoeling van B en de verzekeraar is dat er geen schriftelijke pensioenovereenkomst tot stand is gekomen. B en de verzekeraar vonden het immers niet nodig om uitvoering te geven aan de niet ondertekende uitvoeringsovereenkomst, aldus de rechtbank. Volgens de rechtbank kan er daarom niet vanuit worden gegaan dat de pensioenovereenkomst tot stand is gekomen.

Centrale Raad van Beroep

A benadrukte in hoger beroep dat voor de totstandkoming van een pensioenovereenkomst geen formele eisen gelden. Door het tot stand komen van de arbeidsovereenkomst waarin een artikel over pensioen is opgenomen, is volgens hem sprake van een pensioenovereenkomst. B heeft de uitvoering van de pensioenovereenkomst ondergebracht bij de verzekeraar door een offerte te vragen en daarmee akkoord te gaan. Aan het vereiste dat een uitvoeringsovereenkomst schriftelijk moet zijn is volgens A voldaan doordat de verzekeraar B een uitvoeringsovereenkomst heeft gezonden. Toezending van de uitvoeringsovereenkomst vond plaats nadat B akkoord ging met de offerte.

De CRvB stelt A in het ongelijk en schrijft daarover in haar uitspraak:

  • “Van het schriftelijk sluiten van een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 23 van de Pensioenwet is eerst sprake als beide bij die overeenkomst betrokken partijen daaronder hun handtekening hebben geplaatst.”
  • “Niet met een aanvraagformulier, maar eerst met de uitvoeringsovereenkomst worden de modaliteiten van een pensioenregeling definitief bepaald en ontstaat voor de werkgever een betalingsverplichting jegens de pensioenuitvoerder.”
  • “Uit het feit dat werkgeefster onder de aanduiding van pensioenpremies bedragen heeft ingehouden op het loon van appellant (red: A) en betalingen heeft gedaan aan Zwitserleven (red: Verzekeraar), welke bedragen door verzekeraar niet ter stond zijn terugbetaald, volgt niet dat tussen werkgeefster en Zwitserleven een schriftelijke uitvoeringsovereenkomst tot stand is gekomen. De feitelijke betalingen brengen immers geen uitvoeringsovereenkomst tot stand,”

 

Het Uwv hoeft de pensioenpremies niet te betalen.

Commentaar

Opmerkelijk is dat onderbrengingsplicht uit de Pensioenwet - die juist dient ter bescherming van de werknemer en die wordt vormgegeven door de schriftelijke uitvoeringsovereenkomst - in deze zaak ten nadele van de werknemer wordt gebruikt.

Dat een handtekening op de schriftelijke overeenkomst belangrijk is als bewijs van tot stand koming van de overeenkomst, is helder. Dat die handtekening volgens de CRvB bepalend is voor het tot stand komen van de overeenkomst is vinden wij opmerkelijk. Vooral omdat de feitelijke gedragingen van partijen anders deden geloven: De werkgever heeft premiebetalingen gedaan en de pensioenuitvoerder heeft de werkgever een uitvoeringsovereenkomst nadat de werkgever de pensioenofferte had geaccepteerd.

 

Auteur: Vera Hek, adviseur AEGON Adfis
Bron: LJN: BZ4245, Centrale Raad van Beroep, 11/6645 WW