Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Hoe groot zijn de gevolgen van het arrest BTW-vrijstelling?

24 maart 2014

In Nederland zijn pensioenuitvoerders vrijgesteld van BTW. Maar geldt die vrijstelling ook voor vermogensbeheer en diensten die pensioenuitvoerders hebben uitbesteed? Op 13 maart verscheen het lang verwachte arrest van het Europese Hof van Justitie waarin het Hof antwoord gaf op de vraag in hoeverre pensioenfondsen BTW moeten betalen over vermogensbeheer en uitbestede diensten.

Waar gaat de procedure over?

ATP PensionService administreert een beschikbare premieregeling (DC-regeling) van het Deense bedrijfspensioenfonds PensionDanmark. De werkzaamheden van ATP zijn:

  • administratieve taken, zoals het verstrekken van informatie en specifiek advies aan werkgevers en werknemers (pensioenspaarders);
  • onderhoud en ontwikkeling van het IT-systeem;
  • diensten in verband met de stortingen ten gunste van en uitkeringen uit de pensioenregeling.

 
De procedure bij het Hof gaat over de vraag of over de bovengenoemde uitbestede diensten BTW gerekend moet worden of dat deze vallen onder een vrijstelling uit een Europese BTW-Richtlijn. Het Hof behandelde hiervoor drie vragen.

Vraag 1: Is het pensioenfonds een “gemeenschappelijk beleggingsfonds”?

De BTW-vrijstelling uit de Richtlijn heeft betrekking op “gemeenschappelijke beleggingsfondsen”. Het Hof concludeert dat het pensioenfonds gelijkgesteld kan worden aan gemeenschappelijke beleggingsfondsen als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • het pensioenfonds wordt gefinancierd door de deelnemers;
  • het spaargeld wordt belegd volgens het beginsel van risicospreiding;
  • het beleggingsrisico wordt gedragen door de deelnemers van het pensioenfonds.

 
Het is hierbij niet van belang dat de bijdragen door de werkgever worden gestort, het bedrag ervan is vastgelegd in CAO’s, het pensioenkapitaal op diverse wijzen kan worden terugbetaald, de bijdragen voor de inkomstenbelasting aftrekbaar zijn of er een ondergeschikt verzekeringselement eraan kan worden toegevoegd.

Volgens het Hof voldoet PensionDanmark aan de voorwaarden voor een gemeenschappelijk beleggingsfonds en verricht ATP PensionService dus diensten voor een gemeenschappelijk beleggingsfonds.

Vraag 2: Wat betekent “beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen”?

Volgens het Hof omvat het begrip „beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen” diensten waarmee een instelling de rechten van de leden van pensioenfondsen “materialiseert” door accounts aan te maken en de gestorte bijdragen op hun account in het systeem van de pensioenregelingen te boeken. Dergelijke boekingen zijn essentieel voor het beheer van een gemeenschappelijk beleggingsfonds. Concrete voorbeelden van diensten die vrijgesteld zijn van BTW zijn de berekening van de prijs van de deelnemingen of aandelen in het fonds, de waardering van de activa, de verslaglegging, de voorbereiding van declaraties voor de verdeling van de inkomsten, de verstrekking van informatie en documentatie voor de periodieke rekeningen en de belastingaangiften, voor het opmaken van statistieken en voor de btw-aangiften en de opstelling van de rendementsprognoses.

Vraag 3: Pensioenuitkeringen

De derde vraag die het Hof beantwoordt is de vraag of de btw-vrijstelling ook van toepassing is bij  handelingen betreffende de uitkering van pensioenen. Volgens het Hof is de btw-vrijstelling voor deze handelingen van toepassing wanneer de door ATP verrichte diensten zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één enkele ondeelbare economische prestatie vormen en het kunstmatig zou zijn deze te splitsen. De Deense rechter moet hier een uitspraak over doen.

Commentaar

Het Hof geeft in dit arrest aan dat bepaalde diensten van een ‘pensioenbeheerder’ aan het pensioenfonds met een DC-regeling vrijgesteld zijn btw. Dan moet er wel sprake zijn van een gemeenschappelijk beleggingsfonds.

De drie criteria die het Hof bij de beantwoording van vraag 1 opgeeft zijn duidelijk. Aan de eerste twee voldoet praktisch elke pensioenregeling. Zo heeft het Hof geoordeeld dat het niet uitmaakt of de werkgever meebetaalt aan de pensioenpremie. En ieder pensioenfonds belegt volgens risicospreiding. Ook het derde criterium (het beleggingsrisico wordt gedragen door de deelnemers van het pensioenfonds) is duidelijk. Het kan echter op verschillende manieren geïnterpreteerd worden. Kijk maar eens naar de verschillende soorten pensioenregelingen:

 

  • Beschikbare premieregelingen (DC): deze regelingen voldoen duidelijk aan het derde criterium. Er zijn echter heel weinig pensioenfondsen die DC-regelingen uitvoeren. In Nederland is de DB-regeling bij pensioenfondsen de meest voorkomende pensioenvorm (cijfers 2013: 93,5%)
  • Collectieve beschikbare premieregelingen (CDC): dit wordt al wat lastiger omdat deze regelingen zowel elementen van een DC-regeling als van een salarisdiensttijdregeling bevatten. Voor de Pensioenwet zijn deze regelingen uitkeringsovereenkomsten. De deelnemers lopen het beleggingsrisico met betrekking tot de omvang van de pensioenuitkering doordat bij aanvang van de pensioenregeling grenzen zijn gesteld aan omvang van de premielast. Het is dus maar de vraag of de belastingdienst vindt dat het beleggingsrisico gedragen wordt door de deelnemers van het pensioenfonds.
  • Salarisdiensttijdregelingen (DB): dit lijkt duidelijk. De toezegging aan de deelnemer is een pensioenuitkering. De deelnemer loopt geen beleggingsrisico. Toch verschenen er na de publicatie van het arrest berichten dat Nederlandse DB-regelingen ook aan het criterium van beleggingsrisico zouden kunnen voldoen . Er wordt hierbij gewezen op de kortingen op de pensioenen (afstempelen) en de misgelopen indexatie bij veel pensioenfondsen. Naar onze mening is dit te kort door de bocht. Een pensioenfonds kan indexatie schrappen of afstempelen wanneer er sprake is van een dekkingstekort. En dit dekkingstekort wordt niet alleen veroorzaakt door tegenvallende beleggingen.De rentestand en de ontwikkeling van het langlevenrisico spelen een veel belangrijker rol. En over deze elementen heeft het Hof zich niet uitgelaten.

Daar komt bij dat in een andere zaak (Wheels Common Investment Fund Trustees Ltd (C-424/11), 7 maart 2013) het Hof besloten heeft dat een pensioenfonds die een DB-regeling uitvoert niet kan worden aangemerkt als een gemeenschappelijk beleggingsfonds. Wat ons betreft is de wens de vader van de gedachte; een pensioenfonds dat een DB-regeling uitvoert zal geen beroep kunnen doen op dit arrest. 

 

Het effect van het arrest van het Hof op de afschaffen van de BTW-koepelvrijstelling voor pensioenfondsen (een belangrijke financieringsbron van het kabinet in de Witteveen-2005 wetgeving) is nog onduidelijk. Volgens het kabinet (zie bijvoorbeeld de brief van de staatssecretaris van Financiën van 4 maart 2013) heeft het arrest niets met de koepelvrijstelling te maken.

Het arrest zal op termijn wel gevolgen kunnen hebben voor de belastinginkomsten van de overheid. Het aandeel van DC-regelingen is stijgend. Dat is bijvoorbeeld goed te zien aan de opkomst van PPI’s. Beheersdiensten van PPI’s - inclusief de bijkomende diensten voor zover zij ondergeschikt zijn aan de beheersdiensten - zijn overigens al vrijgesteld van omzetbelasting.

 

Auteur: Erik Schouten, adviseur Aegon Adfis

Bron: Uitspraak Hof van Justitie EU, C-464/12, ATP PensionService / Denemarken, 13 maart 2014.