Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Hoe staat het met: de herziening pensioenfondsenrichtlijn?

14 juli 2014

Net als vorig jaar publiceert Aegon Adfis deze zomer een serie berichten "Hoe staat het met….". Deze artikelen geven een overzicht van de stand van zaken van diverse onderwerpen (zoals AOW, pensioen, lijfrente, DGA, etc). De wijzigingen en wijzigingsplannen volgen elkaar immers in snel tempo op. Maar weet u nog wat de status is van al die plannen? En wanneer de wijzigingen ingaan of (misschien al) zijn ingegaan? Met onze berichten bent u snel weer op de hoogte.

In dit bericht gaan wij in op de voorgenomen herziening van de pensioenfondsenrichtlijn.

Pensioenfondsenrichtlijn

In 2003 kwam de richtlijn over de werkzaamheden van en het toezicht op zogenoemde 'instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening' tot stand¹.  Deze staat bekend als de pensioenfondsenrichtlijn, al is die term niet helemaal juist. Ook andere pensioenuitvoerders dan alleen pensioenfondsen kunnen eronder vallen. De richtlijn beoogde een eerste stap te zijn op weg naar een Europese interne markt (dat wil zeggen één markt binnen de EU) voor bedrijfspensioenvoorziening. Naast het toezicht op pensioenuitvoerders biedt de richtlijn deze uitvoerders de mogelijkheid om pensioenregelingen van werkgevers uit andere lidstaten uit te voeren.

Samenvatting voorstel Europese Commissie

Onder andere omdat de interne markt voor bedrijfspensioenvoorzieningen niet echt van de grond komt, stelt de Europese Commissie (EC) een herziening voor van de pensioenfondsenrichtlijn. De EC streeft de volgende doelstellingen na met deze herziening:

  1. Garanderen dat deelnemers aan een pensioenregeling afdoende zijn beschermd tegen risico's;
  2. Garanderen dat deelnemers en pensioengerechtigden heldere en relevante informatie ontvangen;
  3. Belemmeringen voor grensoverschrijdende dienstverlening wegnemen;
  4. Bedrijfspensioenfondsen beter in staat stellen te beleggen op lange termijn. Hierdoor kunnen zij de economische groei ondersteunen;
  5. Waarborgen dat toezichthouders over de benodigde instrumenten beschikken om op doelmatige wijze toezicht te kunnen uitoefenen.

Standpunt Nederlandse regering

De Nederlandse regering stemt in grote lijnen in met de doelstellingen in het voorstel. Maar om daadwerkelijk in te kunnen stemmen stelt de Nederlandse regering de voorwaarde dat de uiteindelijke regels doelmatig en niet te gedetailleerd zijn. En dat bij de verdere uitwerking voldoende rekening wordt gehouden met de rol van sociale partners, met nationale verschillen en nationale verantwoordelijkheden.

Gele kaart voor de pensioenfondsenrichtlijn

Het Tweede Kamerlid Omtzigt (CDA) diende op 14 mei 2014 tijdens het debat in de Tweede Kamer een motie in over het trekken van een gele kaart² voor de herziening van de pensioenfondsenrichtlijn. De Tweede Kamer aanvaardde deze motie. Het kabinet snapt de aarzelingen die bij in de Tweede Kamer bestaan bij dit voorstel. Maar zij steunt de gele kaart niet. Volgens het kabinet voldoet het voorstel aan het subsidiariteitsbeginsel³.  En  zijn de bescherming van deelnemers en pensioengerechtigden, het scheppen van een gelijk speelveld voor pensioenfondsen binnen Europa en het bevorderen van een stabielere pensioensituatie in Europa in overeenstemming met de uitgangspunten van Europees optreden. Sterker, het kabinet geeft aan dat de gele kaart de Nederlandse positie bij de verdere behandeling van het voorstel zeker niet versterken. De Eerste Kamer is evenmin een voorstander van het voeren van de gele kaart procedure.
Het kabinet is kritisch ten aanzien van de proportionaliteit van bepaalde onderdelen van het voorstel. Zo zijn de eisen die aan informatieverstrekking gesteld worden te gedetailleerd en uniform voorgeschreven. Dit kan leiden tot extra administratieve lasten. Ook zou de richtlijn meer aandacht moeten besteden aan digitaal communiceren. Verder vindt Nederland dat de gedelegeerde bevoegdheden aan de EC te ruim zijn, de EC teveel vrijheid geeft en te gedetailleerd is. Vanuit de Nederlandse optiek zijn op deze punten zeker aanpassingen nodig. Zij zal dit ook consequent inbrengen in de onderhandelingen.

Kabinet wil deelnemers beschermen tegen teveel details

De Kamer stelde een aantal vragen over de herziening van de pensioenfondsenrichtlijn. Vragen over het mogelijke verhuizen van pensioenfondsen naar het buitenland beantwoordde het kabinet al eerder (zie ons nieuwsbericht "België-route pensioenfondsen: storm in een glas water?" van 1 juli).

Het kabinet gaat in op een  vraag over de gegevens die in het Pension Benefit Statement (PBS, een soort uniform pensioenoverzicht en een onderdeel van het voorstel) moeten worden opgenomen. De voorstellen met betrekking tot het PBS kennen volgens het kabinet een te grote mate van uitgebreidheid, gedetailleerdheid en uniformiteit. Algemene informatie over de pensioenregeling en persoonlijke informatie over het opgebouwde en de te verwachten pensioenuitkering worden gecombineerd in één PBS. De zorg van het kabinet is dat door de overvloed aan detail, de deelnemer niet de juiste informatie tot zich neemt en het PBS zijn doel voorbij zal schieten. Gelaagd communiceren kan hierin helpen. Met gelaagd communiceren wordt bedoeld dat iedere deelnemer zelf kan bepalen hoe diep hij of zij zich in het onderwerp wil verdiepen. Uitgangspunt is echter wel dat iedereen tenminste kennis neemt van de eerste laag met basisinformatie. De staatssecretaris zegt toe zich in te spannen om dit een plaats te laten krijgen in de richtlijn.

Kapitaaleisen pensioenuitvoerders

Tot slot gaat het kabinet in op een vraag over de rol van de Europese toezichthouder, EIOPA. EIOPA brengt advies uit aan de Europese Commissie over verschillende onderwerpen, waaronder de mogelijkheid om te komen tot aanvullende Europese kapitaalseisen voor pensioenfondsen. Het kabinet blijft zich er voor inzetten dat voor pensioenfondsen geen vergelijkbare kapitaalseisen als voor private verzekeraars worden gesteld.

Commentaar

Uit de vragen van de Tweede Kamer spreekt de angst dat Nederlandse pensioenregeling in het buitenland uitgevoerd gaan worden. Hierover heeft het kabinet al een uitgebreide brief aan de Kamer gestuurd. Over deze koudwatervrees hebben wij al een nieuwsbericht geschreven.

Het kabinetsstandpunt over de voorstellen met betrekking tot het PBS delen wij volledig. Uit de Nederlandse ervaring blijkt dat uitgebreide, gedetailleerde en uniforme informatie aan deelnemers niet altijd het beoogde effect heeft. Het is dan ook niet zinvol om dit in de herziene richtlijn op te nemen.

En het kabinetsstandpunt over de kapitaaleisen delen wij ook. Het is logisch dat pensioenfondsen niet dezelfde kapitaalseisen krijgen als verzekeraars. Maar het kabinet vergeet een nuancering aan te brengen. Dat doen wij dan graag. Wanneer het gaat om vergelijkbare risico's en vergelijkbare regels, moeten de kapitaalseisen natuurlijk ook vergelijkbaar zijn.

Wetgeving in Europa verloopt traag. Het duurde ruim tien jaar voordat de huidige pensioenfondsenrichtlijn het levenslicht zag. Het herzieningsvoorstel van deze richtlijn is pas een paar maanden oud. Het is onze verwachting dat deze herziening nog wel vaker terug zal komen in onze serie "Hoe staat het met…".

 

Auteur: Erik Schouten, internationaal adviseur Aegon Adfis
Bronnen:

 

Voetnoten

¹ Richtlijn 2003/41/EG van 3 juni 2003, PbEG L 235, betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening. Ofwel de IORP-richtlijn waarbij IORP staat voor Institution for Occupational Retirement Provisions.
² Dit is één van de middelen die nationale parlementen kunnen inzetten om ervoor te zorgen dat het subsidiariteitsbeginsel wordt nageleefd. Wanneer zij van mening zijn dat het onderwerp van een wetsvoorstel niet op Europees niveau, maar op landelijk, provinciaal of gemeentelijk niveau thuishoort, kunnen zij dat laten weten aan de Europese Commissie. Als een derde van de nationale parlementen deze mening deelt, zal de Europese Commissie het voorstel moeten heroverwegen. Er wordt dan gesproken over de 'gele kaart'.
³ Het subsidiariteitsbeginsel houdt in dat wetgeving zo dicht mogelijk bij de burger moet plaatsvinden. Er is een uitzondering op deze regel in gevallen waar de Unie een exclusieve (wetgevende) bevoegdheid heeft of gevallen waarin maatregelen op het niveau van de Unie doeltreffender zijn dan maatregelen op nationaal, regionaal of lokaal niveau.