Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Hoe staat het met: nettolijfrente en netto pensioen?

8 augustus 2014

De wijzigingen en wijzigingsplannen voor pensioenen volgen elkaar in snel tempo op. Maar weet u nog wat de status daarvan is? En wanneer de wijzigingen ingaan of (misschien al) zijn ingegaan? Wij zetten de wijzigingen voor u op een rij. Deze keer staan de nettolijfrente en het netto pensioen centraal.

Verlaging maximum opbouw pensioen en maximering pensioengevend inkomen

Op 1 januari 2015 is het maximum opbouwpercentage per dienstjaar 1,875% voor iedereen met een inkomen onder de aftoppingsgrens van € 100.000,- en een pensioen op basis van het middelloon (nu 2,15%). Voor pensioen op basis van het eindloon wordt dit 1,657% (nu 1,90%). Een soortgelijke aanpassing wordt doorgevoerd voor beschikbare premieregelingen. De maximumopbouw voor het partnerpensioen en het wezenpensioen wordt overeenkomstig aangepast. Over het deel van het inkomen boven de aftoppingsgrens van € 100.000,- wordt een nieuwe spaarmogelijkheid op vrijwillige basis geïntroduceerd, de netto lijfrente.

Nettolijfrente

Werknemers en ondernemers met een inkomen vanaf € 100.000,- kunnen een oudedagsvoorziening opbouwen die overeenkomt met een jaarlijkse bruto pensioenopbouw van 1,875% middelloon. Deze opbouw vindt plaats over het gedeelte van het inkomen boven de aftoppingsgrens.

Onderstaande tabel laat zien dat het aandeel werknemers met een inkomen van meer dan € 100.000,- erg beperkt is, namelijk 2% van alle werknemers (verdeling op basis van het looninkomen 2013, in % van totaal).

Loonklasse Alle werknemers 55-65 jaar Overig
< modaal 60% 47% 61%
1 – 2 maal modaal 33% 39% 33%
2 – 3 maal modaal 5% 10% 5%
3 – 4 maal modaal 1% 3% 1%
meer dan 4 maal modaal 1% 2% 1%
totaal 100% 100% 100%

Netto lijfrente en netto pensioen?

Naast pensioenverzekeraars mogen ook pensioenfondsen de nettolijfrente in de tweede pijler (dus netto pensioen) uitvoeren. Ter voorkoming van 'kruissubsidiëring' tussen de bruto pensioenregelingen (waarvoor de premies aftrekbaar zijn) en de nettolijfrente (van waaruit onbelaste uitkeringen worden gedaan) moeten pensioenfondsen die een nettolijfrente aanbieden, uitgaan van een gescheiden administratie. Verder worden aanvullende producteisen gesteld aan de nettolijfrente om het risico op vermenging van belaste en onbelaste geldstromen te minimaliseren.

Vrijwillige deelname en bijdrage werkgever

De nettolijfrente is een vrijwillige regeling voor werknemers met een inkomen boven € 100.000,-. Wanneer de werkgever een regeling aanbiedt, is de werknemer niet verplicht om hier aan deel te nemen. Hij kan bijvoorbeeld zelf een nettolijfrente afsluiten in de derde pijler of helemaal niets doen.

Een werkgever die een bijdrage verstrekt aan deelnemers van de nettolijfrente, moet dit ook in dezelfde mate doen aan zijn overige werknemers die voor het overige in dezelfde omstandigheden verkeren. Met andere woorden, vergelijkbare werknemers die niet deelnemen aan de nettolijfrente moeten de werkgeversbijdrage eveneens als loon ontvangen.

Fiscale behandeling netto lijfrente

Het is de bedoeling dat voor de netto-lijfrente zowel in de tweede als derde pijler dezelfde premiestaffel gaat gelden. Waarbij rekening wordt gehouden met het netto karakter van de faciliteit. Deze staffel wordt gebaseerd op de meest ruime staffel uit bijlage 1 van het staffelbesluit (staffel 4). In deze staffel wordt uitgegaan van een rekenrente van 4%. Vanuit de praktijk wordt gepleit voor een staffel met een rekenrente van 3% omdat een jaarlijkse bruto pensioenopbouw van 1,875% zeker niet gerealiseerd kan worden.

In september a.s. wordt de netto lijfrente verder ingevuld in een Algemene maatregel van bestuur (AmvB) en moet duidelijk worden van welke staffel en rekenrente mag worden uitgegaan.

De premie of inleg wordt betaald uit het netto inkomen. De waarde van een aanspraak op een nettolijfrente vormt vrijgesteld vermogen in box 3. De uitkeringen worden niet belast in box 1. De lijfrente moet -afgezien van de netto premie- voldoen aan de bestaande lijfrentewetgeving. Het moet dus voorzien in een inkomen voor de oudedag.

In de Successiewet komt een vrijstelling van Erfbelasting voor de nettolijfrente. Eenzelfde vrijstelling geldt voor fiscaal gefaciliteerde lijfrenten waarvan de premies in aftrek zijn gebracht.

Afkoop netto lijfrente

Vanaf 1 januari 2015 moet een pensioenuitvoerder meewerken aan afkoop van de netto lijfrente in de tweede pijler wanneer  de gerechtigde daarom verzoekt. De Pensioenwet is hierop aangepast.

Bij afkoop van een netto lijfrente wordt het genoten box 3-voordeel teruggenomen. Het genoten box 3-voordeel wordt gesteld op de helft van de waarde van de nettolijfrente op het moment van afkoop vermenigvuldigd met het  aantal jaren waarin wordt deelgenomen aan de netto lijfrente, met een maximum van 10 jaar. Om te voorkomen dat de forfaitaire benadering voor belastingplichtigen onevenredig ruw uitwerkt, is het kabinet voornemens een tegenbewijsmogelijkheid op te nemen. De uiteindelijke wetgeving hiervoor volgt later, mogelijk bij het Belastingplan 2015.

Hoe verder

In het wetsvoorstel Verzamelwet pensioenen 2014 zijn onder meer delegatiebepalingen in de Pensioenwet opgenomen om de voorwaarden voor uitvoering van een nettolijfrente door pensioenfondsen binnen de randvoorwaarden van fiscale hygiëne en vrijwilligheid in lagere regelgeving vast te kunnen leggen. Daarnaast is een tweede nota van wijziging ingediend die regelt dat de nettolijfrente ook onder de verplichtstelling valt, waardoor alle aangesloten werkgevers bij een verplicht bedrijfstakpensioenfonds een nettolijfrente moeten aanbieden. Waarbij overigens de werkgever ervoor kan kiezen een andere uitvoerder te kiezen.

De volgende stap is de uitwerking van de maatregelen in lagere regelgeving in de vorm van een AmvB. Het kabinet stuurt deze AmvB na het zomerreces aan de Tweede Kamer.

 

Auteur: Erik Schouten, adviseur AEGON Adfis