Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Juridisch zeer slimme brief van Klijnsma suggereert meer dan hij zegt?

18 januari 2013

De Eerste Kamer vroeg tijdens de behandeling van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd naar de mogelijkheden voor pensioenuitvoerders om één pensioenleeftijd kunnen hanteren zonder tussenkomst van de individuele deelnemers. Dit zou moeten gelden voor zowel bestaande als nieuwe aanspraken. Welke mogelijkheden en risico's zitten daaraan, wilde de Eerste Kamer weten. Staatssecretaris Klijnsma van SZW heeft in een brief van 17 januari laten weten dat hiervoor naar haar mening geen aanpassing van de Pensioenwet nodig is. Dat is op zich juist, maar wil niet zeggen dat de onderliggende pensioenovereenkomst niet op de daarvoor voorgeschreven wijze aangepast moet worden.

 

Probleem?

Het verhogen van de pensioenrichtleeftijd heeft geen effect op reeds opgebouwde aanspraken. Alles wat is opgebouwd met een pensioenrichtleeftijd 65 (of wellicht nog eerder) blijft onaangetast als de pensioenrichtleeftijd in 2014 naar 67 gaat. Deelnemers in een pensioenregeling krijgen na 1 januari 2014 dus te maken met aanspraken met een pensioeningangsdatum van 65 en aanspraken met een pensioeningangsleeftijd van 67. Dit is voor de pensioenuitvoerders gecompliceerd en leidt (dus) tot hogere uitvoeringskosten. Daarnaast leidt het tot lastige communicatie. Daarom pleitte met name de Pensioenfederatie ervoor om eenzijdig de bestaande pensioenaanspraken met pensioenrichtleeftijd 65 te kunnen omrekenen naar hogere pensioenaanspraken met een pensioenrichtleeftijd 67. De vraag daarbij is of dit op basis van de Pensioenwet mogelijk is, of dat daarvoor wetswijziging noodzakelijk is.

 

Geen wetswijziging noodzakelijk

De staatsecretaris komt in een juridisch zeer slim geformuleerde brief tot de conclusie dat aanpassing van de Pensioenwet niet noodzakelijk is. En dat is ook zo. Tussen de regels door formuleert ze echter een aantal randvoorwaarden waarvan ik me afvraag of iedereen die meteen als zodanig herkent en onderkent. Want - zonder het met zo veel woorden te zeggen - is de conclusie wel dat als pensioenuitvoerder en werkgever niet aan deze randvoorwaarden voldoen, een dergelijke eenzijdige herrekening van de aanspraken van 65 naar 67 niet mogelijk is. Wat dat betreft, legt de staatssecretaris de bal heel slim (weer) bij de pensioenuitvoerder en de werkgever.

 

Een paar voorbeelden

"Daarnaast kan het hanteren van één pensioenleeftijd een heldere en communicatie aan (gewezen) deelnemers eenvoudiger maken. Deelnemers (en gewezen) deelnemers worden bij het hanteren van één pensioenleeftijd in de communicatie beter in staat gesteld om de eigen pensioensituatie zo goed mogelijk te beoordelen." Geheel juist, maar hiermee zegt ze niet dat dit alleen maar kan als de uitvoeringsovereenkomst hier ook op wordt aangepast. Ook als de pensioenregeling verschillende lagen kent met verschillende pensioenrichtleeftijden, kan in de communicatie één leeftijd worden gehanteerd. Daarvoor hoeft de Pensioenwet inderdaad niet te worden gewijzigd.

"Een pensioenuitvoerder kan besluiten tot collectieve herrekening naar een hogere pensioenleeftijd. Als de herrekening actuarieel neutraal plaatsvindt en het pensioenreglement voorziet erin dat de deelnemer de pensioeningangsdatum individueel weer naar de oorspronkelijke pensioenleeftijd terug kan zetten, zonder dat dit op voorhand de rechten aantast, dan biedt de Pensioenwet daarvoor de ruimte." Dat is waar. Zo lang de rechten niet worden aangetast, verbiedt de Pensioenwet het niet. De staatssecretaris verwacht op basis van de huidige stand van zaken dan ook geen probleem bij de collectieve omzetting naar één pensioenleeftijd. Weer heel slim, want hiermee zegt ze niet dat er geen problemen zouden zijn bij het individueel weer terugzetten van de pensioeningangsleeftijd naar de oorspronkelijke datum. 

De rechten worden inderdaad niet op voorhand aangetast, maar mogen echter ook niet naderhand worden aangetast. Daarvan kan sprake zijn in de situatie dat het individueel terugzetten naar de oorspronkelijke pensioenleeftijd tot gevolg heeft dat het uiteindelijke pensioenresultaat voor de deelnemer verschilt ten opzichte van de situatie waarin niet eerst wordt uitgesteld en vervolgens vervroegd. Dit verschil ontstaat doordat bij een collectieve omzetting collectieve grondslagen worden gehanteerd en bij een individuele omzetting moet worden uitgegaan van vervroegingsfactoren die op het moment van daadwerkelijke vervroeging gelden. Zie daarvoor ook ons artikel "Snijverlies". Volgens de staatssecretaris is dit niet nieuw. "Dat er verschillen ontstaan is inherent aan het hanteren van collectieve tarieven die periodiek worden herzien". Deze verschillen zijn volgens de staatssecretaris relatief klein en kunnen worden gecompenseerd door een besparing in de uitvoeringskosten en het belang van een heldere communicatie. Of dat ook zo is, laat de staatssecretaris - wederom heel slim - over aan de beoordeling van de pensioenuitvoerder. "Die uiteindelijke weging van deze belangen is aan de pensioenuitvoerder. De wetgever kan het maken van een (evenwichtige) belangenafweging - en de verantwoordelijkheid voor eventueel daaruit voortvloeiende verschillen - niet van de pensioenuitvoerders overnemen." Het is met andere woorden aan de pensioenuitvoerder om de afweging te maken of het snijverlies acceptabel is binnen de evenwichtige belangenbehartiging. De staatssecretaris neemt hierover geen standpunt in.

 

Commentaar en conclusie

Zoals gezegd, heeft de staatssecretaris haar brief juridisch zeer zorgvuldig en slim geformuleerd. Strikt juridisch klopt het ook allemaal. Maar wij vragen ons af of alle partijen dit ook zo genuanceerd zullen lezen en zich er naar gedragen. De vraag in de Eerste Kamer was ingestoken door de Pensioenfederatie die graag de mogelijkheid wil hebben om de pensioenrichtleeftijd voor de deelnemers eenzijdig te verhogen naar 67, ook voor bestaande aanspraken. Klijnsma stelt dat dit op zich mogelijk is binnen de huidige wetgeving. Pensioenuitvoerders zullen zich dan wel aan deze wetgeving moeten houden.

De Pensioenwet gaat ervan uit dat de pensioenovereenkomst het vertrekpunt is. De werkgever is verplicht om een pensioenovereenkomst onmiddellijk op basis van een schriftelijke uitvoeringsovereenkomst onder te brengen bij een pensioenuitvoerder (art. 23 PW). De pensioenovereenkomst en de uitvoeringsovereenkomst moeten één op één op elkaar aansluiten. De uitvoeringsovereenkomst is immers gedefinieerd als "de overeenkomst tussen een werkgever en een pensioenuitvoerder over de uitvoering van een of meer pensioenovereenkomsten". De pensioenrichtleeftijd is onderdeel van de pensioenovereenkomst. Als de pensioenrichtleeftijd wordt gewijzigd, is dit in eerste instantie een wijziging van de pensioenovereenkomst. In zoverre is het niet zo dat een wijziging van de pensioenovereenkomst aan de orde kan zijn, zoals de staatsecretaris stelt, maar dat een wijziging aan de orde zal  zijn. Deze wijziging van de pensioenovereenkomst zal dan door de pensioenuitvoerder verwerkt moeten worden in de uitvoeringsovereenkomst en zijn administratie. Dat is de volgorde die uit de Pensioenwet voortvloeit. Zonder het met zo veel woorden te zeggen, wekt de brief bij snelle lezing de suggestie dat dit niet altijd het geval zou zijn en dat de pensioenuitvoerder de uitvoeringsovereenkomst eenzijdig zou mogen wijzigen op het punt van de pensioenrichtleeftijd.  Het kan echter niet zo zijn dat in de pensioenovereenkomst een andere pensioenrichtleeftijd is opgenomen dan in de uitvoeringsovereenkomst.

Nogmaals, de staatssecretaris zegt dit niet met zo veel woorden. Sterker nog, in de laatste alinea telt zij; "Tenslotte maak ik van de gelegenheid gebruik om te wijzen op het volgende. Het hanteren van een hogere pensioenleeftijd noopt tot een aanpassing van de pensioenregeling. Zonder aanpassing van de pensioenregeling is er geen juridische grondslag voor het hanteren van een hogere pensioenrichtleeftijd". En zo is het maar net! En daarbij is wel instemming van de OR en de individuele deelnemers vereist.

Auteur: Herman Kappelle

Bron: Brief van de staatssecretaris van SZW aan de Voorzitter van de Eerste Kamer van 17 januari 2013, AV/PB2012/17855