Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Leeftijdsdiscriminatie bij maximering ontslagvergoeding?

21 januari 2015

Mag een werkgever de ontslagvergoeding maximeren op de inkomstenderving tot pensioneringsdatum? Over deze vraag oordeelde Rechtbank Rotterdam.

De kwestie 

Een werkgever (W) gaat reorganiseren. 19 werknemers worden ontslagen. W stuurde desbetreffende werknemers, waaronder M, op 26 september 2012 een opzeggingsbrief. De arbeidsovereenkomst eindigt op 1 januari 2013. 

In het op de reorganisatie van toepassing verklaarde Sociaal Statuut van W staat dat de kantonrechtersformule wordt gehanteerd voor de berekening van de beëindigingsvergoeding. W informeert M op 6 december 2012 dat hij een beëindigingsvergoeding krijgt van € 229.723. Dit bedrag komt overeen met de inkomstenderving van M tot aan zijn pensioengerechtigde leeftijd.

M vindt dat hij € 260.002 moet krijgen. Volgens hem heeft W het Sociaal Statuut niet correct toegepast. Uitgangspunt van het Sociaal Statuut is immers dat de beëindigingsvergoeding wordt berekend op basis van de kantonrechtersformule. In het Statuut is geen restrictie opgenomen over de hoogte van een beëindigingsvergoeding voor werknemers met een naderende pensioenleeftijd. M vindt dat het gelijkheidsbeginsel de door W aangehouden maximering in de weg staat. Volgens M iser nog nooit een de beperking toegepast bij eerder vastgestelde  beëindigingsvergoedingen van oudere gedwongen uit dienst tredende werknemers. M stelt dat hij ongelijk wordt behandeld op grond van zijn leeftijd. Hij verwijst in dit verband naar de uitspraak van de kantonrechter te Groningen van 31 mei 2012 (LJN BX4451). 

Rechtbank

De Kantonrechter is van mening dat er geen sprake is van een verboden onderscheid op grond van leeftijd bij het beëindigen van het dienstverband. Onderscheid op leeftijd is niet verboden als het onderscheid objectief is gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. De Kantonrechter: “Het is een legitiem doel te bevorderen dat de voor ontslagvergoedingen beschikbare middelen in het kader van een reorganisatie worden verdeeld onder alle bij dat ontslag betrokkenen en niet (vrijwel) geheel ten goede komen aan de oudere werknemers, terwijl bovendien moet worden voorkomen dat de ontslagvergoeding ten goede komt aan personen die geen nieuwe dienstbetrekking zoeken, maar een vervangingsinkomen voor ouderdomspensioen zullen ontvangen (HvJ EU 6 december 2012, JAR 2013/19). Het gekozen middel – aftopping van de vergoeding op 65 jarige leeftijd – is geschikt om dit doel te bereiken. Dat de maatregel passend en noodzakelijk is, blijkt uit het feit dat dat de vergoeding die W uitbetaalde gelijk is aan de inkomensderving van M tot zijn pensioenleeftijd. Met een eventuele vervroegde pensionering is (terecht) geen rekening gehouden. Daarmee blijft M op hetzelfde inkomensniveau als ware hij bij W tot zijn pensioengerechtigde leeftijd in dienst gebleven.” De Kantonrechter maakte korte metten met M’s argument dat W bij andere oudere werknemers geen maximering had toegepast. M slaagde er volgens de rechter niet in dit te bewijzen. 

Commentaar 

De Kantonrechters hebben naast de A x B X C -formule verschillende aanbevelingen en richtlijnen voor bijzondere omstandigheden. Bijvoorbeeld de omstandigheid dat sprake is van een oudere werknemer van wie de pensioendatum in zicht komt. Volgens één van die aanbevelingen wordt de ontslagvergoeding die volgt uit de formule gemaximeerd op de inkomensderving tot aan de redelijkerwijs te verwachten pensioneringsdatum van de werknemer. De achterliggende gedachte bij deze aanbeveling is dat een medewerker, als gevolg van de beëindiging van zijn dienstverband, in principe niet in een financieel betere positie mag komen te verkeren dan wanneer het dienstverband niet zou zijn beëindigd en zou hebben voortgeduurd tot de pensioengerechtigde leeftijd.

Wij vinden het logisch dat een ontslagvergoeding gemaximeerd wordt op de loonderving. En dat er geen sprake is van loonderving wanneer het pensioen inmiddels is ingegaan. In haar Handreiking gederfd of te derven loon van 8 mei 2012 onderschreef het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) dit. De –tot 1 januari 2014 geldende - stamrechtvrijstelling gold alleen voor een ontslagvergoeding in verband met te derven inkomsten. Het CAP schreef hierover onder meer: “dat geen sprake meer is van te derven loon over de periode die is gelegen na de zich het eerst voordoende (of de eerste reeds verstreken zijnde), reguliere ingangsdatum (richtdatum) van een ouderdomsvoorziening”. 

Een beroep op (leeftijds)discriminatie was de enige mogelijkheid voor M om met succes bijna € 30.000 meer ontslagvergoeding te krijgen. Onderscheid, bijvoorbeeld naar geslacht, burgerlijke staat of leeftijd, is verboden binnen een groep mensen die gelijke of gelijkwaardige arbeid verrichten. De Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid verbiedt direct en indirect onderscheid naar leeftijd, onder meer bij het aangaan en beëindigen van een dienstverband. En daarop deed M een beroep. De Kantonrechter concludeerde dat het onderscheid objectief gerechtvaardigd was en stelde M daarom in het ongelijk met zijn beroep op discriminatie.

 

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis
Bron: Rechtbank Rotterdam, 5 september 2014, nr. ECLI:NL:RBROT:2014:8801

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 21 januari 2015