Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Meer duidelijkheid bij overdracht pensioenkapitaal

4 juni 2013

Bij overdracht van de pensioenverplichting in eigen beheer moeten partijen uitgaan van de waarde in het economische verkeer. Deze waarde wijkt af van de fiscale waarde. Dit leidt in de praktijk tot onduidelijkheid. Het Hof Den Haag bracht in drie uitspraken hierover meer duidelijkheid. Wilt u weten waarover het Hof precies duidelijkheid verschafte?

Waarde overdracht pensioen

B BV had pensioen aan de directeur en enig aandeelhouder (DGA) toegezegd en hield dat in eigen beheer. De pensioenregeling bevatte ondermeer aanspraken op ouderdoms- en partnerpensioen. De aanspraken waren na ingang welvaarts- en/of waardevast. In 2006 bracht B BV de pensioenrechten onder in een Stichting Pensioen. De overdracht vond plaats tegen de waarde in het economische verkeer. Dat hield in dat partijen bij de bepaling van de overdrachtwaarde rekening hielden met een rekenrente van 3,74% en een indexatielast van 2,11%. B BV bleef de koopsom voor de overdracht schuldig aan de Stichting en bracht in 2006 het verschil tussen de koopsom en de fiscale waarde van de pensioenverplichting ten laste van haar fiscale winst.
De inspecteur weigert de aftrek van de kosten voor de indexatie. Verder gaat de inspecteur er vanuit dat de lasten die zijn ontstaan door het verschil tussen 4% en de gehanteerde rekenrente (3,74%) ook niet aftrekbaar zijn.

Uitspraak Gerechtshof

De rechter is het eens met de eerste stelling van de inspecteur. Immers in de wet IB staat dat bij de bepaling van de fiscale jaarwinst geen rekening mag worden gehouden met de stijging van lonen en prijzen in toekomst. Dit is alleen mogelijk als er een betaling plaatsvindt aan een pensioenfonds of een professionele verzekeraar. De Stichting is geen van beiden. Als gevolg hiervan mag de overdragende BV de lasten van de indexatie niet aftrekken van de fiscale winst. De BV moet die last activeren op haar fiscale balans.
De correctie met betrekking tot het verschil tussen 4% en de marktrente honoreert de rechter niet. Volgens de rechter hoeft bij de bepaling van de koopsom in de fiscale winstbepaling geen rekening te worden gehouden met een rekenrente van 4% maar mag de overdragende BV uitgaan van de werkelijke rente (marktrente). In dit geval dus 3,74%.

Commentaar

In het besluit van 3 juli 2008 (CPP2008/447M) heeft de staatssecretaris al aangegeven dat bij de overdracht van een pensioenverplichting moet worden uitgegaan van de waarde in het economische verkeer. Als de overdracht plaatsvindt aan een pensioenlichaam dat niet kwalificeert als pensioenfonds of professionele verzekeraar mogen de kosten voor de overdrager niet ten laste van de fiscale winst worden gebracht. De overdrager moet deze lasten activeren op de fiscale balans. Volgens het besluit geldt hetzelfde voor het verschil tussen 4% en de gehanteerde lagere marktrente. De rechter is het niet eens met het laatste standpunt. Hij stelt dat ook voor de bepaling van de fiscale winst de overdrager mag uitgaan van de toegepaste rente (marktrente) in plaats van 4%. Door deze uitspraak is er weer meer duidelijkheid gekomen in de complexe materie van overdracht van pensioenverplichtingen aan pensioenlichamen.

 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur AEGON Adfis
Bron: Gerechtshof Den Haag, 8 mei 2013, nr. 12/00387; LJN. CA1431