Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Netto-lijfrente; een semantische discussie?

28 mei 2014

Staatssecretaris Klijnsma beantwoordt vragen over de netto-lijfrente in de tweede pijler. Bij verschillende fracties bestaat nog steeds onduidelijkheid over de netto-lijfrente. Is het inderdaad een semantische discussie, zoals staatssecretaris Wiebes stelt?

Wiebes stuurde op 28 maart een richtinggevende brief aan de Tweede Kamer over de netto-lijfrente. Zie ons bericht van 30 maart. Die brief, diverse vragen en de daaropvolgende nota van wijziging leidden tot nog meer vragen van verschillend fracties. Zie ook ons bericht van 22 mei. Klijnsma reageert op de vragen van diverse fracties over de nota van wijziging.

Vrijwillig en fiscaal hygiënisch

Klijnsma:"Deze nota van wijziging van de Verzamelwet pensioenen 2014 strekt ertoe - conform de brief van 28 maart jl - dat de regeling voor de netto lijfrente in de tweede pijler kan worden uitgevoerd binnen de randvoorwaarden van vrijwilligheid en fiscale hygiëne door het stellen van de in die brief voorgestelde eisen."

Delegatiebepalingen

Klijnsma: "Omdat over de uitwerking van die voorwaarden nog overleg plaatsvindt met het pensioenveld en omdat het kabinet goede nota heeft genomen van pensioenuitvoerders om voor de zomer duidelijkheid te krijgen, bevat deze nota van wijziging delegatiebepalingen zodat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld over de uitvoering van die netto lijfrente door pensioenfondsen."

Waarom netto-lijfrente en niet netto-pensioen?

Klijnsma: "Met betrekking tot de vragen van deze drie fracties waarom het begrip netto lijfrente nog niet is veranderd in het begrip netto pensioen, kan worden opgemerkt dat in de nota naar aanleiding van een schriftelijk overleg richtinggevende brief novelle is aangegeven waarom het kabinet heeft gekozen voor de term netto lijfrente en dat ook een andere keuze mogelijk was geweest. In die nota is ook ingegaan op de vragen van de leden van de VVD-fractie en van de CDA-fractie hoe de netto lijfrente in de tweede pijler fiscaal gezien wordt behandeld, of de nettolijfrente in de tweede pijler arbeidsvoorwaardelijk is en wanneer de aangekondigde amvb kan worden verwacht."

Pensioen volgens de PW maar de fiscaal gelden de voorwaarden van de Wet IB

De leden van de CDA-fractie stelden diverse vragen over de voorwaarden waaronder uitvoering van die netto lijfrente in de tweede pijler kan worden uitgevoerd. Klijnsma:"De netto lijfrente wordt in de tweede pijler uitgevoerd als pensioen in de zin van de Pensioenwet. Dat betekent dat in beginsel de gehele Pensioenwet van toepassing is, tenzij de randvoorwaarden van vrijwilligheid en fiscale hygiëne zich daartegen verzetten. Dat betekent bij voorbeeld dat de netto lijfrente in de tweede pijler niet kan worden uitgevoerd door een bank of een beleggingsinstelling, zoals is gevraagd, omdat uitvoering in de tweede pijler alleen mogelijk zal zijn door de toegelaten aanbieders in artikel 23 van de Pensioenwet. Ook zal er geen sprake kunnen zijn van uitkeringen in eenheden. Voor de fiscale facilitering gelden de voorwaarden van de Wet IB 2001. Over de uitwerking van de randvoorwaarden van vrijwilligheid en fiscale hygiëne vindt nog overleg met het pensioenveld plaats. De uitwerking hiervan in de algemene maatregel van bestuur wordt nog aan uw Kamer voorgelegd."

Commentaar

Een week voordat de Eerste Kamer moest stemmen over Witteveen-2015 bestond nog steeds onduidelijkheid over de netto-lijfrente in de tweede pijler. Zoals Klijnsma aangeeft in haar reactie worden de details van de netto-lijfrente uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur. Maar de reactie van Klijnsma neemt de onduidelijkheid niet weg.

Het antwoord van Klijnsma op de vragen is op het eerste gezicht weinig zeggend. Eén zinnetje in de reactie is naar onze mening cruciaal; "voor de fiscale facilitering gelden de voorwaarden van de Wet IB 2001". Kennelijk vindt het kabinet dat een pensioen in de tweede pijler juridisch een pensioen in de zin van de Pensioenwet kan zijn en fiscaal een lijfrente in de zin van de Wet IB 2001. De definitie van de netto lijfrente verwijst dan ook (nog steeds) alleen maar naar "een lijfrente als bedoeld in artikel 3.125 Wet IB", met dien verstande dat de premie niet aftrekbaar is. Maar lijfrenten als bedoeld in artikel 3.125 Wet IB 2001 zijn de oudedags-, nabestaanden- en tijdelijke oudedagslijfrenten. En die mogen nu juist wél worden uitgevoerd door een bank of beleggingsinstelling en in eenheden uitkeren! Wat dat betreft blijft het antwoord van het kabinet innerlijk tegenstrijdig.

En, … als het toch alleen maar een semantische discussie is; wat is er dan op tegen om het netto pensioen zijn eigen definitie te geven? Die zou bijvoorbeeld kunnen luiden: "een pensioen als bedoeld in artikel 18 Wet LB 1964, met dien verstande dat de daarvoor verschuldigde premie tot het loon behoort als bedoeld in artikel 10 Wet LB 1964." Wij begrijpen niet waarom de staatssecretarissen dit onderscheid niet willen maken. En de PvdA ook niet. De PvdA kondigde al aan dat als het kabinet niet zelf met een voorstel komt om het onderscheid tussen netto lijfrente en netto pensioen glashelder aan te geven, zij zelf met voorstellen daartoe zullen komen. Wij zijn benieuwd!

 

Auteurs: Herman Kappelle en Vera Hek
Bron: Nota naar aanleiding van het nader verslag Verzamelwet pensioenen 2014