Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Nieuw belastingverdrag met Duitsland aantrekkelijk voor gepensioneerde ambtenaren

11 februari 2015

De inwerkingtreding van het nieuwe belastingverdrag met Duitsland is met één jaar uitgesteld tot 1 januari 2016. Staatssecretaris Wiebes (Financiën) beantwoordde voor de tweede keer schriftelijke vragen van de Eerste Kamer over het nieuwe Verdrag. De vragen en antwoorden gaan hoofdzakelijk over de fiscale behandeling van pensioenen onder het nieuwe Verdrag.  

Nieuwe regeling voor pensioenuitkeringen

In het nieuwe verdrag spraken Nederland en Duitsland af dat gepensioneerden die een pensioen, lijfrente of sociale zekerheidsuitkering ontvangen uit het ene land, belast kunnen worden in dat land als het gezamenlijke bedrag van die inkomsten meer bedraagt dan € 15.000 per jaar. Dit betekent dat iemand die in Duitsland woont en uit Nederland AOW en een Nederlands bedrijfspensioen ontvangt van in totaal meer dan € 15.000 per jaar, door Nederland belast mag worden met inkomstenbelasting. Daarmee krijgt Nederland het heffingsrecht over een belangrijk deel van het pensioen dat in Nederland is opgebouwd. Overheidspensioenen blijven in de staat belastbaar vanwaar ze afkomstig zijn. Zie voor meer informatie ons nieuwsbericht van 10 september 2014. 

Overgangsregeling

Door het nieuwe verdrag krijgt een grote groep inwoners van Duitsland die nu pensioen ontvangen uit Nederland te maken met een aanzienlijke toename van de belastingdruk. Voor deze groep geldt een overgangsregeling. 

Als algemene overgangsregeling geldt dat belastingplichtigen ervoor kunnen kiezen om nog een jaar gebruik te maken van het oude verdrag. Daarnaast is er een specifieke overgangsregeling van zes jaar voorgesteld voor pensioen, lijfrente of sociale zekerheidsuitkeringen. Op deze uitkeringen is tijdelijk een lager belastingtarief van toepassing. Het tariefspercentage loopt geleidelijk op.

Rekenvoorbeelden

In de recente beantwoording van vragen geeft de staatssecretaris een aantal rekenvoorbeelden. Om te kunnen bepalen welk land belasting mag heffen over de AOW-uitkering, moet worden vastgesteld of de AOW-uitkering tezamen met de Nederlandse bedrijfspensioenuitkering meer bedraagt dan € 15.000. Als het gezamenlijke bedrag meer is dan € 15.000 moet Duitsland de belasting die daarover in Nederland is betaald verrekenen. Zo wordt dubbele belasting voorkomen. 

De hoogte van de Nederlandse belastingheffing over het pensioen is afhankelijk van verschillende factoren, waaronder de hoogte van het bedrag van de AOW-uitkering, de hoogte van het bedrag van het Nederlandse bedrijfspensioen, of de persoon een kwalificerende buitenlandse belastingplichtige is en welke eventuele aftrekposten van toepassing zijn. 

Uit rekenvoorbeelden, die in beantwoording van de staatssecretaris uitgebreid zijn uitgewerkt, blijkt dat de inkomenseffecten voor gepensioneerde ambtenaren en militairen beperkt zijn. Zo betaalt een alleenstaande gepensioneerde Nederlandse ambtenaar van 75 jaar met een AOW-uitkering van € 13.500, een overheidspensioen van € 27.500 en aftrek van negatieve inkomsten uit eigen woning € 5.000 onder het  oude verdrag: € 3.125. En  onder het nieuwe verdrag: € 2.099. En een gehuwde gepensioneerde ambtenaar van 75 jaar met een AOW-uitkering van € 9.500, een Nederlands overheidspensioen van € 20.000, een echtgenote met  een AOW-uitkering van € 9.500 en een aftrek negatieve inkomsten uit eigen woning € 3.000 betaalt onder het oude verdrag  € 1.180. Onder het nieuwe Verdrag betaalt deze oud-ambtenaar € 1.039.Ook een alleenstaande gepensioneerde Nederlandse ambtenaar van 75 jaar met een AOW-uitkering van € 13.500, een overheidspensioen van € 46.500 en een aftrek negatieve inkomsten uit eigen woning € 10.000. betaalt onder het nieuwe verdrag minder belasting. Zijn totale heffing onder oude verdrag is € 9.045, terwijl hij onder  het nieuwe Verdrag  € 8.489 moet betalen.

Commentaar

De rekenvoorbeelden van de staatssecretaris laten zien dat er voor ambtenaren en militairen niet al te veel verandert. De belangrijkste reden hiervoor is, dat het werknemerspensioen van het ABP –op grond van de bestaande en nieuwe bepalingen van het verdrag- in Nederland wordt belast. Voor werknemers die in de particuliere sector werken kunnen de gevolgen groter zijn. Onder het huidige verdrag heft Duitsland inkomstenbelasting over hun werknemerspensioen; onder het nieuwe verdrag kan dat Nederland worden. 

De inwerkingtreding van het nieuwe verdrag is met één jaar uitgesteld tot 1 januari 2016. Op het moment dat de Tweede Kamer het goedkeuringswetsvoorstel plenair behandelde was er nog geen overeenstemming bereikt over het wijzigingsprotocol voor piloten die in Nederland wonen en in dienst zijn van een Duitse luchtvaartmaatschappij. Dit punt was voor een aantal fracties zo belangrijk dat de stemming over het goedkeuringswetsvoorstel werd uitgesteld tot na het zomerreces van 2014. Hierdoor schoof de ingangsdatum van het nieuwe verdrag een jaar op. De gevolgen voor de Nederlandse staat van het jaar uitstel lijken beperkt. Volgens Wiebes pakt het nieuwe verdrag in vergelijking met het oude verdrag voor Nederland  ongeveer budgettair neutraal uit. Wat burgers betreft, lijkt het beeld gemengd. Sommigen zullen mogelijk verheugd zijn met het uitstel, terwijl anderen het jammer zullen vinden. Bijvoorbeeld die specifieke groep grensarbeiders die in 2015 financieel baat zou hebben bij de algemene compensatieregeling in het nieuwe verdrag. Daar staat tegenover dat een groep in Duitsland wonende belastingplichtigen met een uit Nederland afkomstig privaatrechtelijk pensioen door het uitstel feitelijk van een extra overgangsjaar kan genieten.

 

Auteur:  Erik Schouten, adviseur internationaal pensioen Aegon Adfis
Bron: Nadere Memorie van Antwoord, Eerste Kamer, 9 februari 2015.

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 11 februari 2015