Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Nog geen pasklare oplossing voor pensioen in eigen beheer

5 juni 2014

In ons bericht van 9 december 2013 schreven wij over de brief van Staatssecretaris Weekers. Die stelde voor om de knelpunten bij pensioen in eigen beheer op te lossen door pensioen in eigen beheer in te wisselen voor een winstafhankelijk reserve in de BV. De opvolger van Weekers, staatssecretaris Wiebes, geeft antwoorden op Kamervragen over deze brief.

Knelpunten eigen beheer

De knelpunten bij pensioen in eigen beheer zijn vooral terug te voeren op het verschil tussen de fiscale- en commerciële waardering van de pensioenverplichting. Door de huidige marktomstandigheden is de commerciële verplichting veel hoger dan de fiscale. Dit waarderingsverschil leidt tot problemen bij onder meer :

  • uitkering van dividend door de BV,  zie ons bericht van 25 september 2012;
  • echtscheiding van de DGA;
  • overdracht door de BV van de verplichting aan een holding- , pensioen BV (extern eigen beheer) of verzekeraar.

Daarnaast is de waardering van de verplichting in eigen beheer ingewikkeld en complex geworden. Dit vergt veel van zowel adviseurs als van de belastingdienst.

Oplossingen

In de brief van 6 december 2013 beschreef Weekers drie mogelijke oplossingsvarianten:

  1. De fiscale pensioenverplichting op commerciële basis berekenen;
  2. De fiscale waarde als uitgangspunt hanteren voor herrekening van de pensioenaanspraken;
  3. Invoeren van een winstafhankelijk reserve in de BV.

Wiebes geeft aan dat het vinden van een oplossing  erg lastig is en dat hij daarom nog geen pasklare oplossing heeft. Maar hij geeft wel aan welke uitganspunten in acht  genomen moeten worden en binnen welke randvoorwaarden een oplossing gevonden moet worden. Ook gaat hij kort in op de voorgestelde oplossingen in de brief van 6 december.

Het ultieme uitganspunt is volgens Wiebes dat pensioen in eigen beheer eenvoudiger en begrijpelijker wordt. Daarbij moeten we af van de ingewikkelde verschillen tussen de fiscale- en commerciële waarderingsregels. Als randvoorwaarden noemt hij:

  • de middelen moeten beschikbaar blijven voor de onderneming van de BV;
  • er moeten voorzieningen kunnen worden getroffen voor de nabestaanden van de DGA en
  • de aanpassing moet budgettair haalbaar zijn.

Wiebes beoordeelt de oplossingsvarianten en voegt er nog een vierde aan toe, te weten:

  1. Beschikbare premie met een vast oprentingspercentage.

Fiscale pensioenverplichting op commerciële basis berekenen

In deze variant waarderen BV’s de pensioenverplichtingen op de fiscale balans op commerciële basis. Dit leidt tot een forse verhoging van de fiscale verplichtingen. Een dergelijke verhoging van de pensioenverplichtingen op de fiscale balans is budgettair niet haalbaar en voldoet dus niet aan de randvoorwaarden.

Fiscale pensioenverplichting vormt uitgangspunt voor herrekening van de pensioenaanspraken

Bij deze oplossing herrekenen partijen de pensioenaanspraken aan de hand van de fiscale waarde van de pensioenvoorziening. Dit leidt tot een eenmalige verlaging van het pensioen. Dit is een incidentele aanpassing met grote juridische bezwaren. Bovendien geeft dit geen oplossing voor de knelpunten op een langere termijn. Vandaar dat Wiebes deze oplossing ook van de hand wijst.

Invoeren van een winstafhankelijk reserve in de BV

Bij deze variant kan een pensioentoezegging aan een DGA alleen nog worden verzekerd bij een professionele verzekeraar. Als er geen pensioenrechten worden opgebouwd (verzekerd), kan de BV – elk jaar opnieuw - besluiten om een fiscale reserve te vormen voor de oude dag van de DGA.

Deze variant biedt volgens Wiebes het meeste perspectief voor een vereenvoudiging. Daarom werkt hij aan een verdere uitwerking van deze variant

Beschikbare premie met een vaste rentevergoeding

In veel reacties op de brief van 6 december is de beschikbare premie als oplossingsvariant genoemd. Wiebes is bereid om ook deze variant nader te onderzoeken. Maar hij tekent daarbij direct aan dat oprenting met een vaste rentevergoeding leidt tot complicaties bij de waardering en wellicht ook nadelige consequenties heeft in de loonbelasting.

Vragen

In de brief geeft de Staatssecretaris antwoord op de vragen die door de verschillende fracties zijn gesteld. Deze vragen hebben betrekking op onder meer:

  • de berekeningswijze van de commerciële waarde;
  • de beschikbare premie in eigen beheer;
  • een voorziening voor nabestaanden van de DGA;
  • de budgettaire effecten;
  • de waardering van de  pensioenverplichting voor dividenduitkering;
  • het vervangen van pensioen in eigen beheer door een fiscale reserve.

Het voert te ver om in dit bericht in te gaan op deze vragen en antwoorden. Daarom hebben wij de integrale tekst van de vragen en antwoorden aan dit bericht gehecht.

Commentaar

Volgens de Staatssecretaris moet de oplossing budgettair haalbaar zijn. Maar hij geeft niet aan wat we onder “haalbaar” moeten verstaan. Wij interpreteren dit dat de oplossing voor de overheid ten minste budgettair neutraal moet zijn. Bij de budgettaire doorrekening van de drie varianten uit de brief van 6 december geeft alleen variant 3 een neutraal budgettair beslag.

De Staatssecretaris gaat uitgebreid in op de variant van de beschikbare premieregeling in eigen beheer. Zijn betoog komt erop neer dat deze variant alleen goed toepasbaar is als de BV de beschikbare premies  separaat belegt.  Maar in dat geval wordt niet voldaan aan de randvoorwaarde dat de middelen beschikbaar moeten blijven voor de onderneming van de BV. Naar onze mening kan hieraan wel tegemoet gekomen worden als partijen uitgaan van een fictief rendement op een separate belegging. Dan blijven  de premies  ter beschikking staan van de BV en het rendement over de ingelegde premies is afhankelijk van een objectief vastgestelde beleggingsmix. Het is zelfs mogelijk om hiervoor een lyfecycle te volgen die een pensioenverzekeraar toepast . In dat geval is het duidelijk welk rendement de BV aan de premies moet toerekenen. Ook wordt voldaan aan de randvoorwaarden die de Staatssecretaris stelt. De middelen blijven beschikbaar aan de BV en er is geen verschil meer tussen fiscale- en commerciële waarde. Dit neemt overigens niet weg dat er een onder dekking kan ontstaan. Maar dat is ook mogelijk bij toepassing van variant 3.

 

Auteur: Paul Lavrijssen, Adviseur
Bron: Brief van Staatssecretaris Wiebes aan de Tweede Kamer, d.d. 02-06-2014; DB/2014/208M