Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

OESO: Nederlands pensioen scoort hoog maar dit zegt niet alles

15 januari 2014

Eind vorig jaar publiceerde de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) het tweejaarlijkse rapport over pensioenen in alle OESO- en G-20 landen. Deze editie geeft een analyse van het effect van recente pensioenhervormingen. Hoe komt Nederland er vanaf?

Pensioenhervormingen wereldwijd

Volgens het rapport hebben veel van de onderzochte landen hun pensioensysteem hervormd. De vergrijzing en de stijging van de levensverwachting maakten ingrijpen noodzakelijk om het pensioensysteem betaalbaar te houden. In vele gevallen betekent dat een beperking van de pensioenopbouw. Volgens de OECD levert dat een uitdaging op: hoe zorgen overheden ervoor dat inwoners voldoende inkomen hebben na pensionering.  
De onderzochte landen voerden hervormingen door in zowel het staatspensioen als het aanvullende pensioen (de eerste resp. tweede pijler). Deze hervormingen verschillen sterk per land. Vanwege deze hervormingen hebben werknemers die vandaag aan het arbeidsproces gaan deelnemen lagere pensioenen dan vorige generaties.

Van het staatspensioen gaat in heel veel landen de pensioendatum (geleidelijk) omhoog. In de meerderheid van de landen is de pensioendatum in 2050 minimaal 67 jaar en volgt deze veelal automatisch de ontwikkeling van de levensverwachting.  Veel landen hebben in de afgelopen vijf jaar de indexatie veranderd. In Tsjechië, Hongarije en Noorwegen volgen pensioenen niet langer de loonontwikkeling. Oostenrijk, Griekenland, Portugal en Slovenië indexeren alleen nog voor de laagste inkomens.

Sommige landen introduceerden nieuwe aanvullende pensioenregelingen (zoals Groot-Brittannië en Tsjechië).  Andere landen kozen voor veel ingrijpender  maatregelen. Hongarije ontmantelde de tweede pijler en in Polen besloot de regering vermogen van de tweede pijler over te hevelen naar de eerste om zo het begrotingstekort terug te dringen.

Inkomen na pensioneren meer dan alleen pensioen

Het rapport van de OESO bekijkt het inkomen na pensionering breder. Niet alleen pensioenen, maar ook het bezit van een eigen woning, vermogen en ziektekosten bepalen de hoogte van het inkomen na pensioneren. Enkele conclusies zijn de volgende.

  • Eigenwoningbezit heeft een substantiële bijdrage aan de levensstandaard. Niet alleen door het wonen in de eigen woning maar ook - wanneer dat nodig is - de mogelijkheid om dit eigendom ten gelde kunnen maken door verkoop, verhuur of het opnemen van een hypotheek (de zogenoemde "reverse mortgage").  In alle landen hebben gepensioneerden fors meer te besteden als zij een eigen huis hebben. De schatting is dat dit het besteedbaar inkomen zo'n 18 procent verhoogt. In Spanje is het profijt met 29 procent het grootst.
  • Het vermogen van gepensioneerden is erg ongelijk verdeeld. Vooral vrouwen komen er bekaaid vanaf. Werknemers met een hoog inkomen kunnen beschikken over eigen vermogen op pensioendatum. Maar het merendeel van de werknemers heeft geen vermogen om hun pensioen aan te kunnen vullen.
  • Ziektekosten hebben een grote invloed op het inkomen na pensioneren, vooral op het inkomen van de armste huishoudens. De OESO verwacht in Europa meer omkeerhypotheken om zorgkosten te kunnen dekken. Chili is het enige land waar OESO een koppeling ziet tussen pensioenen en gezondheidszorg: gepensioneerden met een laag inkomen hoeven sinds 2011 geen ziektekostenpremie meer te betalen, voor midden en hoge inkomens ging de bijdrage omlaag.

 

Wat zegt het rapport over Nederland?

Volgens het rapport van de OESO voerde Nederland één hervorming in het pensioenstelsel door. En dat is het tijdelijk verlengen van de hersteltermijn van pensioenfondsen van drie naar vijf jaar. Volgens de OESO is het verhogen van de AOW-leeftijd en de pensioenleeftijd geen hervorming. De pensioenleeftijd geeft aanleiding tot de meeste discussie maar is het eenvoudigste aan te passen. De OESO stelt dat alleen het verhogen van de pensioenleeftijd onvoldoende is voor een pensioenstelsel dat een zo groot mogelijke groep mensen omvat, adequaat is, financieel en fiscaal houdbaar, mensen prikkelt tot langer doorwerken, administratief efficiënt en gediversifieerd is. 

Eén van de bevindingen van de OESO is dat in Nederland gepensioneerden van 65 jaar en ouder die onder de armoedegrens leeft, het kleinst is. Ook heeft Nederland de hoogste vervangingsratio's (de verhouding tussen het inkomen voor en na pensionering, dus het pensioeninkomen als percentage van het laatst verdiende werkinkomen). Werknemers met een inkomen van anderhalf keer het gemiddelde komen in Nederland op een netto vervangingsratio van 97,2 procent. In Engeland blijft dit steken op 30,5 procent. Hierbij past overigens wel een kanttekening. De vervangingsratio's die de OESO publiceert geven een erg optimistisch beeld. Dat komt door de theoretische berekening van deze getallen.

Conclusie

De OESO rekent met fictieve werknemers die 40 jaar onafgebroken werken en pensioen opbouwen. Voor die werknemers vergelijkt de OESO het opgebouwde pensioen met het laatstverdiende loon. Deze theoretische vervangingsratio's zeggen dus niet zoveel over de feitelijke verschillen in de inkomenssituatie voor en na pensioendatum. De praktijk wijkt natuurlijk sterk af van de theoretische situatie. Daarom zijn die verschillen meestal veel groter dan in het OESO-rapport. Maar voor de onderlinge vergelijking van landen zijn de cijfers goed bruikbaar. En hieruit blijkt dat Nederland erg hoog scoort.
Uit het rapport blijkt dat geen land dezelfde hervormingen doorvoert. Hoewel veel ingrediënten hetzelfde zijn, ieder land kiest zijn mix om zijn pensioenstelsel te hervormen. De OESO kijkt niet alleen naar pensioenuitkeringen als inkomen na pensionering maar neemt ook eigen vermogen, de eigen woning en ziektekosten mee in het overzicht. Dat is realistisch en toe te juichen. Wij zijn van mening dat deze elementen steeds meer samenkomen.

 

Bron: Pensions at a glance 2013: OECD and G20 Indicators, Organisation for Economic Co-operation and Development, 2013.

Erik Schouten, adviseur Aegon Adfis