Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Ondanks CAO bepaling blijft premievrij pensioen op basis van arbeidsovereenkomst premievrij

14 februari 2013

In deze zaak staat de vraag centraal of de in de arbeidsovereenkomst gemaakte afspraak over een premievrij pensioen is gewijzigd als gevolg van de inwerkingtreding van de wet VPL. De werkgever stelt dat, als gevolg van deze wetswijziging, zij verplicht was om de helft van het totaal te betalen premie in te houden op het loon van de werkneemster. Het Gerechtshof ziet dat anders.

 

Situatie

Een werkneemster werd bij het bereiken van haar 25-jarige leeftijd opgenomen in de pensioenregeling. In haar arbeidsovereenkomst was vastgelegd dat de volledige premie voor het ouderdoms-en nabestaandenpensioen voor rekening van de werkgever komt. Vanaf het moment dat werkneemster premieplichtig werd voor de VUT zijn op haar salaris VUT-premies ingehouden. Per 1 januari 2006 is de VUT omgezet in vroegpensioen. Ook voor het vroegpensioen werd een bedrag bij werkneemster in rekening gebracht. Per 1 januari 2006 zijn de premies ouderdomspensioen en vroegpensioen samengevoegd tot één premie ouderdomspensioen. De opgebouwde aanspraken voor het tijdelijk vroegpensioen zijn daarbij toegevoegd aan het ouderdomspensioen, met de mogelijkheid om het ouderdomspensioen actuarieel te vervroegen. De opgebouwde rechten werden overgedragen naar het Pensioenfonds Metaal en Techniek. Op grond van de CAO is de werkgever van mening dat zij verplicht is om op het loon van de werkneemster een bedrag in te houden ter grootte van de helft van het bedrag aan pensioenpremie. De werkgever heeft dan ook de helft van de pensioenpremie ingehouden op het loon van de werkneemster.

 

De beoordeling Gerechtshof Leeuwarden

De werkneemster stelt dat de in de arbeidsovereenkomst opgenomen afspraak over een voor haar premievrij (ouderdoms)pensioen ongewijzigd van kracht is gebleven. In de procedure heeft de werkgever geen artikel in de Wet VPL kunnen aanwijzen dat bepaalt dat een afspraak uit de arbeidsovereenkomst niet langer is toegestaan. Het Hof heeft een dergelijke bepaling ook niet aangetroffen en verwerpt het standpunt van de werkgever dat deze afspraak in strijd zou zijn met de Wet VPL. 
Daarnaast stelt de werkgever dat het (ouderdoms)pensioen dat werkneemster na 1 januari 2006 opbouwt (deels) nog steeds als een soort vroegpensioen kan worden aangemerkt. Uit een brief van het Pensioenfonds blijkt echter afdoende dat er uitsluitend ouderdomspensioen wordt opgebouwd. De mogelijkheid om het ouderdomspensioen vervroegd te laten ingaan, leidt er niet naar mening van het Hof niet toe dat het ouderdomspensioen daarmee het karakter van een vroegpensioen heeft behouden of verkrijgt.
De CAO schrijft voor dat de werkgever verplicht is de helft van de pensioenpremie op het loon in te houden. De CAO heeft echter een minimumkarakter. Dit betekent dat de werkgever in positieve zin van de bepalingen van de CAO kan afwijken, tenzij de CAO standaard dan wel maximum bepalingen bevat.  De gunstigere bepaling in de arbeidsovereenkomst - een premievrij ouderdomspensioen -  is niet in strijd met de CAO en daarmee niet nietig. 

 

Beslissing

Het Hof Leeuwarden veroordeelt de werkgever tot het betalen van bijna € 11.000,= (bruto) wegens achterstallig loon over de jaren 2006 tot en met 2010, te vermeerderen met een tot 10% wettelijke verhoging plus wettelijke rente aan als achterstallige loonbedragen.   

 

Auteur:  Sjoerd Brouwer, adviseur AEGON Adfis 

 

Bron: LJN: BY9332, Gerechtshof Leeuwarden, 200.072.025/01