Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Overgangsregeling afhankelijk van geboortejaar van de werknemer geen verboden onderscheid

26 mei 2009

Na inwerkingtreding van de Wet VPL heeft een bedrijf de regeling voor functioneel leeftijdsontslag (FLO) afgeschaft. De FLO-regeling is vervangen door de regeling functiegericht levensfasebewust personeelsbeleid (FLP).

FLO-, FLP- en overgangsregeling

De FLO-regeling hield in dat de deelnemer op 60 jaar kon stoppen met werken met een uitkering van 80% van het salaris. Bij een dienstverband van 30 jaar of langer was dit 85%.

De FLP-regeling bestaat uit een structurele regeling en een overgangsregeling.
In de FLP-regeling krijgen werknemers gedurende maximaal 35 jaar een werkgeversbijdrage voor storting in een levensloopregeling. Daarmee kan 120% van het bruto salaris bij leeftijd 61 jaar en 6 maanden worden gespaard. Dit levert dan 1,5 jaar verlof op basis van 80% van het salaris op. Op 63-jarige leeftijd gaat het Keuzepensioen van het ABP in.

Er is een overgangsregeling ingesteld, afhankelijk van het geboortejaar van de werknemer:
Geboren in 1948 of 1949: FLO-regeling vanaf 60 resp. 60,5 jaar
Geboren in 1950 of na 1950 en minimaal 25 dienstjaren: FLP-regeling vanaf 61 jaar resp. 61,5 jaar.

Situatie verzoeker

Verzoeker is geboren in 1952 en heeft 35 dienstjaren. Hij had uitzicht op het FLO op 60 jaar, met een uitkering van 85% van zijn salaris tot 65 jaar. Volgens de overgangregeling krijgt hij nu van 61,5 jaar tot 63 jaar 80% doorbetaald. Het pensioen gaat 2 jaar eerder in dan in de oude situatie, dus hij mist 2 opbouwjaren.

Oordeel Commissie gelijke behandeling (CGB)

De CGB oordeelt dat er sprake is van direct onderscheid op grond van leeftijd tegenover verzoeker door de toepassing van de overgangsregeling. Dit is alleen toegestaan als daarvoor een objectieve rechtvaardiging bestaat. Hiervoor beoordeelt de CGB of het doel legitiem is en het middel passend en noodzakelijk.

Doel legitiem?

Het doel is volgens verweersters:

  • op een betaalbare manier ook onder de nieuwe wetgeving komen tot een regeling waarin werknemers vervroegd kunnen uittreden.
  •  voor werknemers die dicht bij  de oude FLO-gerechtigde leeftijd zitten een voorziening treffen die zo dicht mogelijk nadert tot wat zij verwachtten.

 
De CGB vindt dat hiermee wordt voldaan aan een daadwerkelijke behoefte van verweersters, terwijl daaraan  een discriminerend karakter ontbreekt. De doelen zijn dus legitiem.

Middel passend?

De CGB overweegt onder andere dat het verschil in regeling voor werknemers geboren voor of na 1950  voortvloeit uit de fiscale wetgeving. Het niet onverkort toepassen van de regelingen die gelden voor de werknemers die voor 1950 zijn geboren, voorkomt hoge fiscale heffingen en houdt de regeling dus betaalbaar. Werknemers na 1950 geboren hebben een voorziening waardoor ze op 61,5 jaar vervroegd kunnen uittreden. Daarmee vindt de CGB de overgangsregeling passend om het gestelde doel te bereiken.

Middel noodzakelijk?

Verzoeker had als alternatief aangedragen de regeling niet afhankelijk te maken van geboortejaar maar van aantal dienstjaren. Verweersters overleggen berekeningen waarmee zij volgens de CGB aantonen dat dit alternatief te kostbaar zou zijn en derhalve geen redelijke oplossing is.
De CGB erkent dat de verzoeker een wezenlijk nadeel leidt door de nieuwe regeling maar meent dat dit mede het gevolg van sociaal-economisch ontwikkelingen. Volgens de commissie hebben verweersters in hun oplossing op een evenwichtige manier met verschillen in positie tussen werknemers rekening gehouden.

Er zijn geen andere alternatieve middelen gebleken dus het middel is noodzakelijk.
 
Conclusie is derhalve dat het gemaakte onderscheid objectief is gerechtvaardigd.

Praktisch

Het is bij een overgangsregeling altijd van belang na te gaan of die regeling leidt tot (indirect) onderscheid. Is dit het geval dan zal er meestal sprake zijn van een situatie die is toegestaan als er een objectieve rechtvaardiging voor is. Daarvoor moet worden vastgesteld wat het doel is van de overgangsregeling, of dat doel met de regeling wordt bereikt en of er alternatieven zijn die minder of niet discriminerend zijn. Zijn de alternatieven te kostbaar dan helpt het om een cijfermatige onderbouwing te kunnen overleggen.

 

Bron: Oordeel 2009-32 Commissie Gelijke Behandeling www.cgb.nl.