Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Pensioenfondsen moeten nettolijfrente altijd aanbieden

27 juni 2014

De discussie over de nettolijfrente is nog niet afgerond. Het kabinet beantwoordde een tweede reeks vragen van de Tweede Kamer over het wetsvoorstel Verzamelwet pensioenen 2014. Veel van deze vragen gaan direct of indirect over de netto lijfrente in de tweede pijler. Het lijkt erop dat pensioenfondsen de nettolijfrente straks verplicht moeten aanbieden. Of ze daar altijd blij mee zijn?

Samenhang verschillende pensioenvoorstellen

Verschillende fracties vragen naar de samenhang tussen de verschillende pensioenvoorstellen die spelen. Zoals de Verzamelwet pensioenen, de algemene maatregel van bestuur met betrekking tot de nettolijfrente en het wetsvoorstel FTK. Het kabinet geeft onder meer de volgende reactie.
In het wetsvoorstel Verzamelwet pensioenen 2014 zijn onder meer delegatiebepalingen in de Pensioenwet opgenomen om de voorwaarden voor uitvoering van een nettolijfrente door pensioenfondsen binnen de randvoorwaarden van fiscale hygiëne en vrijwilligheid in lagere regelgeving vast te kunnen leggen. Daarnaast is een tweede nota van wijziging ingediend die regelt dat de nettolijfrente ook onder de verplichtstelling valt, waardoor alle aangesloten werkgevers bij een verplicht bedrijfstakpensioenfonds een nettolijfrente moeten aanbieden.

De volgende stap is de uitwerking van de maatregelen in lagere regelgeving in de vorm van een algemene maatregel van bestuur (AmvB). Het kabinet streeft ernaar deze AmvB voor het zomerreces aan de Tweede Kamer te kunnen aanbieden. De inhoud van deze Amvb gaat over de voorwaarden van fiscale hygiëne. Dat wil zeggen welke voorwaarden nodig zijn voor het voldoende scheiden van de bruto- en de nettopot.

Het wetsvoorstel Aanpassing financieel toetsingskader (ftk) is erop gericht een betere borging te realiseren van het opgebouwde pensioenvermogen voor de korte en middellange termijn. Dit wetsvoorstel maakt pensioen minder gevoelig voor schokken op de financiële markt en zorgt er voor dat risico's en rendementen eerlijk verdeeld worden over generaties. Het nieuwe ftk gaat over het onderhoud van het stelsel.

Nettolijfrente

Het kabinet bevestigt dat de nettolijfrente voor zowel de Pensioenwet als de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds een vrijwillige regeling is. Werknemers kunnen niet gedwongen worden om deel te nemen. Deze aanvullende regeling voor inkomens boven € 100.000 kan uitgevoerd worden door alle pensioenuitvoerders: pensioenfondsen, pensioenverzekeraars, PPI's en in de toekomst het algemeen pensioenfonds.

Werkgevers worden volgens het kabinet verplicht de vrijwillige regeling aan te bieden aan werknemers met een pensioengrondslag boven de € 100.000. (Wij nemen aan dat men hiermee pensioengevend salaris bedoelt)

Voor inkomens boven de € 100.000 kan via de nettolijfrente een oudedagsvoorziening worden opgebouwd die ongeveer overeenkomt met een jaarlijkse bruto pensioenopbouw van 1,875% van het gemiddelde loon. Kabinet: "Hierbij is, gezien het karakter van de nettolijfrente, anders dan de gebruikelijke leeftijdsonafhankelijke premie in de derde pijler uitgegaan van een leeftijdsafhankelijke premiestaffel." Het kabinet geeft aan voor de fiscaal maximaal toegestane premie-inleg voor de nettolijfrente aan te willen sluiten bij de meest ruime staffel uit bijlage 1 van het staffelbesluit (staffel 4).Vanuit het doel van de regeling, nl. het introduceren van een individueel vrijwillig product hecht het kabinet eraan de verschillen tussen de tweede en derde pijler zo beperkt mogelijk te houden en hanteert daarom een eenduidig fiscaal regime voor dit product in beide pijlers.
De regering geeft het volgende commentaar op de kritiek van Aegon Adfis en dan met name de verplichte 10% werkgeversbijdrage die uit dit voorstel zou voorvloeien (zie ons nieuwsbericht van 16 juni). "Om te voorkomen dat pensioenfondsen de vrije markt verstoren, gelden er taakafbakeningsregels. Voor de vrijwillige pensioenovereenkomst zijn in de Pensioenwet eisen opgenomen waaraan zo'n vrijwillige regeling moet voldoen om door een pensioenfonds uitgevoerd te mogen worden. Deze eisen houden in dat:

a) ofwel de werkgever 10% van de kosten van de vrijwillige voorziening betaalt,
b) ofwel dat bij beëindiging van de deelneming het kapitaal wordt omgezet in een periodieke (aanspraak op) een uitkering.

Het is afhankelijk van de in de algemene maatregel van bestuur op te nemen voorwaarden of het ook mogelijk is aan de onder b) opgenomen eis te voldoen. Hier wordt nog naar gekeken, dus op dit moment staat nog niet vast dat er altijd sprake moet zijn van een 10% werkgeversbijdrage. Overigens kan de werkgever wanneer er sprake is van een 10% werkgeversbijdrage een deel van het loon van zijn werknemers met een inkomen boven de €100.000 "oormerken" als werkgeversbijdrage."
 
De communicatie over nettolijfrente in de tweede pijler moet  op dezelfde wijze plaatsvinden als voor andere vrijwillige pensioenregelingen. Informatie over het bestaan van vrijwillige pensioenregelingen maakt onderdeel uit van de startbrief. Bij indiensttreding ontvangt de werknemer één startbrief. Hij krijgt de mogelijkheid te kiezen om wel of niet deel te nemen aan vrijwillige pensioenregelingen, waaronder de nettolijfrente. Op basis van de huidige wetgeving kunnen pensioenuitvoerders informatie over de pensioenaanspraken in de vrijwillige pensioenregelingen meenemen in het UPO over de pensioenaanspraken in de basisregeling. Zij zijn daartoe niet verplicht. In het kader van het wetsvoorstel pensioencommunicatie wordt bezien hoe de informatie over de opgebouwde netto lijfrente geïntegreerd kan worden in het jaarlijkse pensioenoverzicht.
Alle bij een verplicht bedrijfstakpensioenfonds aangesloten werkgevers moeten de mogelijkheid van een nettolijfrente aanbieden. Voorop staat dat de regeling vrijwillig is. Er bestaat geen verplichting deel te nemen aan de nettolijfrente. Wel hebben werknemers bij een bedrijfstakpensioenfonds de keuze dit via de werkgever te laten lopen. In dat geval zijn zij gebonden aan de nettolijfrente die wordt aangeboden via het verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds. Overigens staat voor hen ook de mogelijkheid open om in de derde pijler een nettolijfrente af te sluiten bij een aanbieder naar keuze.

Commentaar

De regering bevestigt dat wanneer een werkgever is aangesloten bij een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds, werknemers alleen via dat pensioenfonds een netto lijfrente in de tweede pijler kunnen afsluiten. Uitgangspunt in de "richtinggevende brief" van Wiebes van 28 maart 2014 was dat de netto lijfrente in de tweede pijler alleen kan worden aangeboden in de vorm van een zuivere lijfrente. Een zuivere lijfrente is volgens het staffelbesluit van 12 februari 2013 een premieovereenkomst waarbij de beschikbaar gestelde premie wordt belegd tot aan de pensioendatum. Een regeling waarbij bij beëindiging van de deelneming het kapitaal wordt omgezet in een uitgestelde periodieke uitkering (zoals door het kabinet genoemd onder b hiervoor) is geen zuivere beschikbare premieregeling. Een pensioenfonds mag een vrijwillige zuivere beschikbare premieregeling dus alleen uitvoeren als de werkgever ten minste 10% van de premie voor zijn rekening neemt. En als hij dat doet, moet hij alle andere werknemers die niet deelnemen, maar overigens in dezelfde omstandigheden verkeren eenzelfde eigen bijdrage geven. Wij blijven ons afvragen of dat wel de bedoeling is.

Daar komt ook nog een praktisch argument bij: dit verplicht alle bedrijfstakpensioenfondsen eigenlijk om een nettolijfrente te gaan aanbieden. Want als werknemers dit in de tweede pijler willen sluiten, zijn zij verplicht om dit bij het eigen fonds te doen. Maar wat nu als het fonds om bijvoorbeeld bedrijfseconomische redenen helemaal geen netto lijfrente wil aanbieden?

 

Auteur: Erik Schouten, adviseur Aegon Adfis
Bron: Nota naar aanleiding van het tweede nader verslag, Verzamelwet pensioenen, 24 juni 2014