Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Pensioenspecial Fiscanet

4 oktober 2012

Pensioenen: stand van zaken

In het voorjaar 2010 sloten de sociale partners het Pensioenakkoord. Twee jaar later nam het parlement de wet aan die de AOW-leeftijd verhoogt en de fiscale ruimte om aanvullend pensioen op te bouwen beperkt (de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd). In de twee jaar die hiertussen ligt, zagen het Uitwerkingsmemorandum, het Catshuisakkoord en het Lente-akkoord het levenslicht. Bovendien zijn drie wetsvoorstellen gepubliceerd die allemaal gemeen hebben dat zij de AOW-leeftijd willen verhogen. In de volgende paragrafen treft u een overzicht aan van de stand van zaken. Wat is er nu precies in de wet opgenomen? 
Andere maatregelen uit het Pensioenakkoord zoals het nieuwe pensioencontract, het nieuwe fiscale toetsingskader (FTK) en het invaren van oude rechten moeten nog verder (in wetgeving) uitgewerkt worden. Daarom besteden wij er hier geen verdere aandac ht aan.

De maatregelen van het Lente-akkoord lijken alweer gedeeltelijk teruggedraaid te worden in het Herfstakkoord van Rutte en Samsom. Dat betekent aanpassen van de voor de zomer onder hoge tijdsdruk aangenomen wetsvoorstellen met betrekking tot de verhoging van de AOW-leeftijd. Die voorstellen van het Herfstakkoord moeten nog worden omgezet in wetgeving en het Parlement door.

Parlementaire behandeling

Het wetsontwerp Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd is gebaseerd op de afspraken van het Lenteakkoord  en is op 5 juni 2012 ingediend bij de Tweede Kamer. Bij de Eerste Kamer lag al een wetsvoorstel ter behandeling, genaamd Wet verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW. Dit wetsvoorstel is door de regering ingetrokken. Op 21 juni 2012 hebben de partijen die het Lenteakkoord hebben gesloten (GroenLinks, D66, VVD, ChristenUnie en CDA) gesteund door de SGP ingestemd met het wetsvoorstel. Op 10 juli heeft de Eerste Kamer ingestemd met de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd.

Hoofdlijnen Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd

De kernelementen uit de wet zijn de volgende. De AOW-leeftijd wordt in stappen verhoogd tot een pensioengerechtigde leeftijd van 66 jaar uiterlijk in 2019 en 67 jaar uiterlijk in 2024. Een eerste stap wordt al in 2013 gezet, door de AOW-leeftijd in dat jaar met 1 maand te verhogen. In de jaren daarna zal de AOW-leeftijd – in grotere stappen - verder worden verhoogd. Na 2024 wordt de AOW-leeftijd aan de levensverwachting gekoppeld. Een overgangsregeling kan de omvang van de inkomensgevolgen beperken voor mensen die weinig mogelijkheden hebben om het verlies te compenseren. In 2014 wordt de pensioenleeftijd voor aanvullende pensioenen verhoogd naar 67 jaar. De fiscaal maximale opbouwpercentages voor het aanvullend pensioen worden neerwaarts aangepast. Het beschikbare budget voor regelingen ouderenparticipatie/scholing en vitaliteitsparen wordt beperk t.

De informateurs Kamp en Bos hebben op 1 oktober 2012 in een brief aan de Tweede Kamer een overzicht gegeven van voorstellen tot wijziging van de begroting 2013 waar Rutte en Samsom overeenstemming hebben bereikt (het Herfstakkoord). De AOW-leeftijd wordt na 2015 versneld verhoogd. Hierdoor wordt de AOW-leeftijd in 2018 66 jaar en in 2021 67 jaar. In 2013, 2014 en 2015 wordt de leeftijd verhoogd met een maand per jaar. In 2016, 2017 en 2018 met drie maanden per jaar en in 2019, 2020 en 2021 met vier maanden per jaar. Dat betekent aanpassen van de voor de zomer onder hoge tijdsdruk aangenomen wetsvoorstellen met betrekking tot de verhoging van de AOW-leeftijd. Zoals het zich nu laat aanzien, heeft het deelakkoord wat nu is bereikt geen effect op de reeds genomen maatregelen in de tweede pijler. Volgens het Herfstakkoord wordt het vitaliteitssparen niet ingevoerd en komt er een doorwerkbonus voor werkenden vanaf 61 tot 65 jaar.

Verhoging AOW-leeftijd

Van 2013 tot en met 2019 wordt de AOW-leeftijd stapsgewijs verhoogd naar 66 jaar. In 2013 bedraagt de verhoging één maand. De AOW-leeftijd bedraagt dan 65 jaar en één maand. Het tempo van de verhoging van de AOW-leeftijd ziet tot 2023 er nu als volgt uit (lente-akkoord):

2013: + 1 maand = 65 + 1 maand
2014: + 1 maand = 65 + 2 maanden
2015: + 1 maand = 65 + 3 maanden
2016: + 2 maand = 65 + 5 maanden
2017: + 2 maand = 65 + 7 maanden
2018: + 2 maand = 65 + 9 maanden
2019: + 3 maand = 66 
2020: + 3 maand = 66 + 3 maanden
2021: + 3 maand = 66 + 3 maanden
2012: + 3 maand = 66 + 3 maanden
2023: + 1 maand = 67

Vanaf 2020 tot en met 2023 gaat de AOW-leeftijd in stappen van 3 maanden per jaar omhoog naar 67 jaar.
Vanaf 2024 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de stijging van de levensv erwachting. Jaarlijks bepaalt de overheid of de ontwikkeling van de gemiddelde resterende levensverwachting aanleiding geeft om de AOW-leeftijd met drie maanden te verhogen. Een verhoging van de AOW-leeftijd wordt minimaal vijf jaar van tevoren aangekondigd. Dit betekent dat de overheid vanaf 2019 bepaalt of de ontwikkeling van de levensverwachting aanleiding geeft voor een verhoging van de AOW-leeftijd vijf jaar later. Uiterlijk 1 januari 2019 is duidelijk of de AOW-leeftijd  met ingang van 1 januari 2024 moet worden verhoogd. Het aanpassen van de AOW-leeftijd aan de gemiddelde resterende levensverwachting gebeurt aan de hand van een formule die is vastgelegd in de wet. De benodigde ramingen voor de levensverwachting worden door het CBS gemaakt. Die ramingen laten vooralsnog ieder jaar opnieuw een grotere stijging van de levensverwachting zien dan verwacht. Waarmee de relevantie van de inzet hiervan helder is.

Volgens het Herfstakkoord zit het tempo van de verhoging van de AOW-leeftijd er als volgt uit:

2013: + 1 maand = 65 + 1 maand
2014: + 1 maand = 65 + 2 maanden
2015: + 1 maand = 65 + 3 maanden
2016: + 3 maand = 65 + 6 maanden
2017: + 3 maand = 65 + 9 maanden
2018: + 3 maand = 66
2019: + 4 maand = 66 + 4 maanden
2020: + 4 maand = 66 + 8 maanden
2021: + 4 maand = 67

Koopkrachteffecten

De verhoging van de AOW-leeftijd wordt geleidelijk ingevoerd om mensen die dicht tegen hun pensioen aan zitten tegemoet te komen. Daarnaast zijn er overgangsmaatregelen voor mensen die weinig mogelijkheden hebben om het verlies aan inkomen te compenseren. Zo kunnen AOW’ers een voorschot krijgen om een eventueel inkomensgat te overbruggen. Deze voorschotregeling geldt tot en met 2015. Het voorschot moet over een vastgestelde termijn worden terugbetaald, volgens onderstaand schema dat aansluit bij het aantal maanden verhoging dat in de genoemde jaren aan de orde is.

Pensioneringsjaar
2013 1 maand voorschot : 1/2 jaar terugbetalen
2014 2 maanden voorschot 1 jaar terugbetalen
2015 3 maanden voorschot 1 1/2 jaar terugbetalen

In het Herfstakkoord zijn de VVD en de PvdA overeengekomen dat de voorschotregeling komt te vervallen. Mensen die per 1 januari 2013 een VUT- of prepensioenregeling hebben en zich niet hebben kunnen voorbereiden op de AOW-leeftijdsverhoging kunnen gebruik maken van een overbruggingsregeling, zodat ze niet zonder inkomen komen te zitten. De regeling gaat gelden voor deelnemers met een inkomen tot 150% van het wettelijk minimum loon en kent een partner- en vermogenstoets (exclusief eigen woning en pensioenvermogen).

Verder kunnen mensen een beroep doen op de bijstand als ze onder het sociaal minimum dreigen te komen. De AOW-partnertoeslag zal enkele maanden langer doorlopen omdat de AOW-uitkering van de jongere partner een paar maanden later ingaat. Op 1 januari 2015 vervalt de AOW-partnertoeslag . Deze maatregel is overigens niet nieuw; hij is al jaren geleden in de wet opgenomen. Voor mensen die geboren zijn in november en december 1949 wordt een uitzondering gemaakt: voor hen wordt het vervallen van de partnertoeslag uitgesteld.
De Eerste Kamer stelde vragen over de effecten voor de verschillende groepen die in 2013 een maand later recht krijgen op AOW. Volgens het kabinet zijn de effecten als volgt:

  • Voor mensen die een uitkering ontvangen verandert er weinig. De uitkeringen lopen door tot de nieuwe AOW-leeftijd.
  • Mensen die werken, kunnen door blijven werken tot de nieuwe AOW-leeftijd. Zij hebben daardoor geen inkomensgat.
  • Mensen zonder eigen inkomen kunnen veelal een beroep blijven doen op het inkomen van de partner. Zij missen wel een maand AOW-inkomen. Voor een gehuwde/samenwonende gaat dit om eenmalig circa € 750 netto.
  • Mensen met een vut- en prepensioenregeling kunnen in bepaalde gevallen te maken krijgen met een inkomensgat; zij missen een maand AOW-inkomen. In veel gevallen kunnen zij dit echter zelf opvangen door de zelf maatregelen te nemen: 
  • - Veel ouderen hebben relatief veel vermogen. Een deel van de ouderen zal daarop een beroep kunnen doen; 
    - Een deel van de ouderen kan een beroep doen op het inkomen van de partner; 
    - Een deel kan de komende maanden sparen; 
    - Een deel kan hun aanvullend pensioen naar voren halen.
  • Degenen die niet beschikken over een partner met een inkomen, geen vermogen hebben en geen aanvullend pensioen dat naar voren kan worden gehaald, kunnen een beroep doen op de (bijzondere) bijstand. Omdat de bijstandsbedragen iets onder de AOW-bedragen liggen, is er een negatief inkomenseffect van netto eenmalig ca € 150 voor alleenstaanden en € 160 voor gehuwden en samenwonenden.
  • Mensen die niet voldoen aan de voorwaarden voor de bijstand, maar wel moeite hebben om op korte termijn het inkomensverlies op te vangen, kunnen een beroep doen op de voorschotfaciliteit. Hiermee kunnen zij een eventueel inkomensgat overbruggen door een voorschot op te nemen op het o uderdomspensioen, dat in de maanden daarna wordt terugbetaald. Hiermee wordt het inkomensverlies over meerdere maanden gespreid.

Deze effecten zullen anders uitpakken wanneer de voorstellen uit het Herfstakkoord wet worden.

Geen flexibele AOW-datum

De mogelijkheid om de AOW flexibel of in deeltijd op te nemen was onderdeel van het eerdere wetsvoorstel Verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW. Dit wetsvoorstel was een uitwerking van de afspraken met de sociale partners in het Pensioenakkoord. In het Lenteakkoord is de flexibele AOW gesneuveld. Deze mogelijkheid is dan ook niet in de wet opgenomen. Is de deeltijd- of flex- AOW dan helemaal van de baan? Voor dit moment wel. Maar volgens de regering is het stelsel naar verwachting niet ongeschikt om op een later moment een flexibele AOW of een deeltijd-AOW in te voeren. Gelet op de huidige budgettaire situatie en de vooruitzichten is het echter onverstandig om nu een perspectief te schetsen voor deeltijd-AOW en flexibele AOW. Het is wenselijk dat mensen langer doorwerken en het verhogen van de AOW-leeftijd draagt volgens het kabinet bij aan een heldere norm hiervoor. Een flexibele AOW en deeltijd-AOW doet afbreuk aan deze norm. De Tweede Kamer wil nog wel dat minister Kamp uitzoekt of mensen meer keuzevrijheid kunnen krijgen om tussen hun 65e en 70e jaar hun pensioendatum te kunnen kiezen. De Kamer heeft daartoe een motie aangenomen. Een dergelijke flex-AOW mag van minister Kamp echter niets extra's kosten.

Witteveenkader aangepast

De fiscale regels voor het aanvullend pensioen (ook wel Witteveenkader genoemd) worden ook aangepast. De pensioenleeftijd gaat naar 67 jaar in 2014. Vervolgens wordt deze pensioenrichtleeftijd op vergelijkbare wijze als de AOW-leeftijd gekoppeld aan de ontwikkeling van de levensverwachting. Dat wil zeggen dat jaarlijks wordt bezien of de ontwikkeling van de levensverwachting aanleiding geeft om de pensioenrichtleeftijd te verhogen. Een verhoging van de pensioenrichtleeftijd vindt, anders dan bij de AOW-leeftijd, steeds plaats in stappen van een jaar. De maximale opbouwpercentages gaan in 2014 van jaarlijks 2 naar 1,9 procent (eindloonregelingen) en van 2,25 naar 2,15 procent (middelloonregelingen).  De beschikbare premiestaffels zijn ook aangepast. Opgebouwde pensioenaanspraken blijven intact. 
De maximale opbouwpercentages voor nabestaandenpensioen en wezenpensioen worden in evenredigheid verlaagd.

Lagere pensioenleeftijd, lagere pensioenopbouw 

Volgens het Centraal Aanspreekpunt Pensioen (CAP) mag na 2014 een pensioenrichtleeftijd worden opgenomen die lager is dan 67 jaar (zie Vraag & Antwoord 12-004, www.belastingdienstpensioensite.nl). Volgens de Wet op de loonbelasting moet het pensioen dat ingaat vóór 67 dan wel actuarieel worden herrekend. Die herrekening kan plaatsvinden in de opbouwfase of op de ingangsdatum van het pensioen. Voor de opbouwfase heeft het CAP het volgende overzicht van de herrekende percentages gepubliceerd. De maximale opbouwpercentages voor ouderdomspensioen zijn:

Pensioenleeftijd en maximum opbouwpercentage bij eindloon en middelloon stelsel

67 : 1,90 % resp. 2,15%
66 : 1,76 % resp. 1,99%
65 : 1,63 % resp. 1,84%
64 : 1,52 % resp. 1,72%
63 : 1,41 % resp. 1,60%
62 : 1,32 % resp. 1,49%
61 : 1,23 % resp. 1,39%
60 : 1,14 % resp. 1,30%

Bovenstaande tabel is in alle situaties te gebruiken. 
Het wetsvoorstel verplicht werkgevers dus niet om de pensioeningangsdatum in pensioenregelingen te verhogen naar 67 jaar. Aanpassing van een regeling vanaf 1 januari 2014 is alleen (fiscaal) noodzakelijk wanneer het opbouwpercentage in de huidige pensioenregeling hoger is dan het door het CAP herrekende percentage bij de betreffende pensioenleeftijd. Ook een hogere AOW- dan de minimale (fiscale) franchise kan ertoe leiden dat aanpassing van een regeling vanaf 1 januari 2014 niet nodig is.

Een pensioenrichtleeftijd in de tweede pijler

De aanpassing van het Witteveenkader ziet alleen op nieuw op te bouwen pensioenaanspraken. Opgebouwde pensioenaanspraken wijzigen niet. Om de pensioenuitvoerders fiscaal gezien wel de mogelijkheid te bieden om alle bestaande pensioenaanspraken om te zetten in aanspraken op basis van de nieuwe pensioenrichtleeftijd, geldt de zogenoemde 100%-begrenzing in de loonbelasting niet voor  collectieve aanpassing van opgebouwde pensioenaanspraken aan de nieuwe pensioenrichtleeftijd.  Het kabinet wil in aanvulling daarop nog de mogelijkheden en risico’s onderzoeken dat pensioenuitvoerders één pensioenrichtleeftijd kunnen hanteren zonder tussenkomst van de individuele pensioendeelnemers.

Benodigde aanpassingen in arbeidsovereenkomst

Werkgevers en werknemers zijn zelf verantwoordelijk voor het in lijn brengen van individuele en collectieve arbeidsovereenkomsten (cao) met de wet- en regelgeving. Volgens de regering hebben partijen voldoende tijd om individuele en collectieve arbeidsovereenkomsten nog voor 1 januari 2014 aan te passen. Cao-bepalingen die een ontslagbepaling kennen die eerder ingaat dan de AOW-gerechtigde leeftijd, kunnen strijdig zijn met de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL). Ontslag uitsluitend gebaseerd op het bereiken van een bepaalde leeftijd mag niet, tenzij die leeftijd de AOW-gerechtigde leeftijd is of er een objectieve rechtvaardiging voor is. Die objectieve rechtvaardiging zal er niet zijn als een werknemer wordt ontslagen omdat in de cao of individuele arbeidsovereenkomst nog steeds sprake is van ontslag bij 65, uitsluitend omdat men de betr effende overeenkomst niet heeft aangepast aan de stijging van de AOW-leeftijd. Als een werknemer desondanks wordt ontslagen als hij 65 jaar wordt, is dat ontslag vernietigbaar.

Aanpassingen van lijfrente en oudedagsreserve

In de Wet op de inkomstenbelasting worden de opbouwruimte voor lijfrenten en de oudedagsreserve ook aangepast. De premiegrondslag voor lijfrentepremieaftrek wordt in 2014 niet langer vermenigvuldigd met 17% maar met 15,5%. Vervolgens wordt dit premiepercentage steeds met 0,6%-punt verlaagd voor ieder jaar dat de pensioenrichtleeftijd wordt verhoogd. In verband met de gewijzigde opbouwruimte wordt ook de zogenoemde imputatieregeling aangepast. Het maximum dotatiepercentage voor de oudedagsreserve wordt ook verlaagd, in 2014 van 12% naar 10,9%. Vervolgens wordt dit percentage steeds met 0,4%-punt verlaagd voor ieder jaar dat de fiscale pensioenrichtleeftijd wordt verhoogd. Zoals hiervoor al beschreven, wordt de uiterste ingangsdatum van lijfrenten en de het tijdstip waarop de oudedagsreserve afneemt aangepast aan de nieuwe AOW-leeftijd.

Op stapel staande wetgeving

Hiervoor is de huidige wettelijke situatie voor wat betreft de ingangsdatum van AOW en pensioen en de fiscale behandeling van pensioenen beschreven. Andere maatregelen uit het Pensioenakkoord zoals het nieuwe pensioencontract, het nieuwe fiscale toetsingskader (FTK) en het invaren van oude rechten moeten nog verder (in wetgeving) uitgewerkt worden.