Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Rekening houden met aftrek lijfrente

31 mei 2013

Een belastingplichtige heeft in 1991 een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule (pre Brede Herwaardering) gesloten. Deze kapitaalverzekering met lijfrenteclausule expireert in 2007. In 1991 is de verschuldigde lijfrentepremie niet in de aangifte Inkomstenbelasting in aftrek gebracht. Er is tussen de belastingplichtige en de belastinginspecteur een geschil of de belastingplichtige deze verzuimde premieaftrek in 2007 in aanmerking mag nemen bij het bepalen van het inkomen uit de kapitaalverzekering met lijfrenteclausule.

Situatie

Het geschil gaat daarbij over de toepassing van het woord "aantonen". Heeft de belastingplichtige aangetoond dat de lijfrentepremie in 1991 in de belastingaangifte in aftrek is gebracht? De inspecteur stelt zich daarbij op het standpunt dat door het gebruik van het woord "aantonen" een zwaardere vorm van bewijs wordt verlangd dan aannemelijk maken.

De belastingplichtige heeft op 16 juli 1991 een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule afgesloten. Deze verzekering keert op einddatum in 2007 fl. 47.063 uit. Het kapitaal dient aangewend te worden voor een lijfrente. De belastingplichtige kiest niet voor de aankoop van een lijfrente, maar voor een uitkering ineens (hetgeen met een dergelijke verzekering nog kon).

In geschil is of de belastingplichtige in 1991 heeft verzuimd de lijfrentepremie ten laste van zijn inkomen te brengen. En of hij dan op grond van de resolutie van 29 juni 1990 (nr.DB90/3579,BNB 1990/341) de eventueel verzuimde premieaftrek in aanmerking mag nemen bij het bepalen van het inkomen uit de kapitaalverzekering met lijfrenteclausule.

Juridische procedure

De belastingplichtige dient naar oordeel van de rechtbank aan te tonen dat de premie niet in mindering is gebracht op het belastbare inkomen van 1991. De belastingplichtige stelt dat zijn inkomen van 1991 nauwelijks afwijkt van zijn inkomens in de daaropvolgende jaren. Zou een bedrag van premie in mindering op haar inkomen van 1991 zijn gebracht, dan zou het belastbare inkomen voor 1991 aanmerkelijk lager zijn dan de inkomens van de daarop volgende jaren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de belastingplichtige aangetoond dat zijn belastbare inkomen van 1991 niet lager was dan zijn belastbare inkomens van de daaropvolgende jaren. De rechtbank concludeert dat de lijfrentepremie niet in mindering is gebracht.

De inspecteur gaat in hoger beroep. De belastingplichtige stelt dat hij de lijfrentepremie destijds niet als persoonlijke verplichting ten laste van zijn inkomen heeft gebracht en doet een beroep op het beleid zoals dit is neergelegd in de resolutie van 29 juni 1990. Op grond van deze resolutie kan in bepaalde omstandigheden in geval van verzuimde lijfrentepremieaftrek, deze lijfrentepremie alsnog in aanmerking kan worden genomen bij de toepassing van de saldomethode. Deze verruiming van de saldomethode wordt uitsluitend toegepast indien en voor zover de belastingplichtige aantoont dat de lijfrentepremies in het verleden niet in mindering op diens inkomen zijn gebracht. Daarbij dient aannemelijk te worden gemaakt dat het niet aftrekken niet te wijten is aan opzet of grove schuld. De inspecteur stelt dat door het gebruik van het woord "aantonen" een zwaardere vorm van bewijs wordt verlangd dan "aannemelijk maken". De belastingplichtige zou daarnaast de verzuimde aftrek niet aannemelijk hebben gemaakt.

Het Hof verwerpt het standpunt betreffende de zwaarte van het te leveren bewijs. Bij de totstandkoming van de Algemene wet betreffende rijksbelastingen is uitdrukkelijk gekozen om de gradaties in het bewijsrecht tot een minimum te beperken, en wel door middel van "blijken" of "aannemelijk maken". In de resolutie zijn geen aanwijzingen te vinden dat op basis van de wetsgeschiedenis van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, met het gebruik van het woord "aantonen" een zwaardere vorm van bewijs wordt bedoeld dan aannemelijk maken. De belastingplichtige dient aannemelijk te maken dat hij in 1991 verzuimd heeft de om de lijfrentepremie in aftrek te brengen. Het Hof acht voldoende aannemelijk dat, gezien de geringe verschillen in de inkomens over de jaren 1991- 1994, de inkomens uitsluitend als inkomen uit dienstbetrekking kunnen worden gezien. Het Hof acht het niet aannemelijk dat sprake is geweest van andere belaste inkomsten. Het hof acht het voorts niet aannemelijk dat de kapitaalverzekering met lijfrenteclausule is ontstaan uit de omzetting van een andere lijfrenteverzekering. De polis maakt hiervan geen melding.

Conclusie

Het Hof is van oordeel dat de belastingplichtige aannemelijk heeft gemaakt dat de aftrekbare premie in 1991 is betaald. De belastbare inkomens rond het jaar 1991 zijn nauwelijks verschillend. Het Hof is van oordeel dat de premie niet in mindering is gebracht op het belastbare inkomen en dat saldomethode kan worden toegepast.

Auteur: Sjoerd Brouwer, adviseur AEGON Adfis
Bron: Hof Den Haag Nr: 11/00819, LJ-nummer BZ6446, 8 januari 2013.