Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Saldolijfrente niet belast in box 3 maar in box 1

28 augustus 2013

Op grond van het overgangsrecht van de Wet inkomstenbelasting 2001 wordt een saldolijfrente belast in box 1. In deze procedure stelde de belanghebbende dat zijn lijfrenteverzekering belast was in box 3. De rechter maakt korte metten met deze opvatting.

Situatie

De heer X stort in 1993 een koopsom van fl. 200.000 (€ 90.781) bij een verzekeraar. Hiervoor krijgt hij een lijfrente op zijn leven van € 8.884 per jaar uit te keren zolang hij leeft, maar uiterlijk tot 1 mei 2012. Deze lijfrenteverzekering kan volgens een clausule niet worden afgekocht of vervreemd. De verzekering kan volgens een andere clausule wel als voorwerp tot zekerheid dienen. X geeft deze lijfrente niet aan in zijn aangifte inkomstenbelasting over 2008. Maar de inspecteur is van mening dat het hier gaat om een saldolijfrente die vanaf  2004 in als inkomen uit werk en eigen woning (box 1) in de heffing van de inkomstenbelasting moet worden betrokken. X gaat in bezwaar en beroep.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

X vindt dat de verzekering behoord tot zijn vermogen en als zodanig tot de vermogensheffingsgrondslag van box 3. Volgens X mocht hij hierop vertrouwen nu de inspecteur de verzekering in 1997 t/m 2000 heeft belast met vermogensbelasting. 
Het Gerechtshof komt tot een andere conclusie. Zij bepaalt dit op basis van de definitie van een saldolijfrente in de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Deze luidt:
Tot de inkomsten uit vermogen behoren: 
(…)
periodieke uitkeringen en verstrekkingen die de tegenwaarde voor een prestatie vormen voor zover zij, te zamen met de krachtens het desbetreffende recht van de verzekeraar reeds ontvangen uitkeringen en verstrekkingen, de waarde van de prestatie te boven gaan, met dien verstande dat die waarde wordt verminderd met het gezamenlijke bedrag van: 
1°. hetgeen bij de bepaling van het belastbare inkomen in verband met de verkrijging van dat recht als premie in aanmerking kon worden genomen, (…)”

Volgens de overgangsregeling van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 moet de belastbaarheid van periodieke uitkeringen die de tegenwaarde van een prestatie vormen, worden bepaald op basis van het oude regime. Het inkomen hieruit wordt volgens deze regeling belast in box 1. In 2001 bestond het recht om de belastingheffing over de belaste termijnen naar voren te halen. De belastingplichtige die van deze afrekenoptie gebruik maakte kon daarna de waarde van de periodieke uitkering aangeven in box 3. X heeft geen gebruik gemaakt van de afrekenoptie.

Het Gerechtshof concludeert op basis van de gegevens en de regelgeving dat de lijfrente-uitkeringen belast zijn in box 1 op basis van de saldomethode. Dat houdt in dat X de uitkeringen vanaf 2004 had moeten aangeven als inkomen uit werk en woning. X mocht aan de heffing van vermogensbelasting in de periode 1997 tot en met 2000 geen rechten ontlenen, dat de termijnen niet meer in box 1 hoefde te worden aangegeven. Ook het beroep dat X doet op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens vindt geen genade. Er is volgens het Gerechtshof geen sprake van een buitensporige fiscale last die strijdig is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.

Commentaar

Een heldere en logische uitspraak van de Rechtbank en het Gerechtshof. De regelgeving op dit vlak is duidelijk. Je vraagt je af waarom belanghebbende heeft geprocedeerd. Kennelijk deed de Rechtbank dit ook, want zij vond het niet nodig om over te gaan tot een veroordeling in de proceskosten.

 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur AEGON Adfis
Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, nr.: 13/00207; 6 augustus 2013