Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Stamrechtovereenkomst is niet altijd nodig

19 augustus 2013

Een belastingplichtige krijgt geen lijfrentepremieaftrek voor omzetting van zijn oudedagsvoorziening omdat de stamrechtovereenkomst anderhalf jaar later op papier is gezet.
Het Hof buigt zich over de vraag of de belastingplichtige de oudedagsreserve tijdig heeft omgezet in een lijfrente.

De casus

X drijft een onderneming in de vorm van een vennootschap onder firma. Hij brengt in 2008 zijn onderneming in een BV in. Voor de oudedagsreserve bedingt X een stamrecht. Op het moment waarop de onderneming wordt ingebracht in de BV bedraagt de oudedagsreserve € 66.212. De belastinginspecteur rekent de oudedagsreserve in 2008 tot de winst. Hij is van mening dat de oudedagsreserve niet tijdig is omgezet in een lijfrente omdat de lijfrenteovereenkomst pas op 16 juli 2010 tot stand is gekomen. X is het hiermee niet eens en gaat in beroep.

Rechtbank Den Haag

De rechtbank Den Haag is het eens met de belastinginspecteur. De rechtbank is van oordeel dat uit de bepalingen in de oprichtingsakte en de akte van inbreng niet volgt dat in 2008 de lijfrenteovereenkomst tot stand is gekomen. En dat in die akten juist is bepaald dat de lijfrentebepalingen in afzonderlijke akten worden vastgesteld.
In de notariële akte van 12 december 2008 staat: (…) "Tot het bedrag van de in het kader van de in te brengen onderneming door de oprichter gevormde oudedagsreserve (…) zal de oprichter een lijfrente ten laste van de vennootschap kunnen bedingen. (….) De oprichter bedingt een lijfrente van de vennootschap als bedoeld in de inbrengovereenkomst en in de beschrijving. (…) De bepalingen die van toepassing zijn op de lijfrente zijn bij afzonderlijke akte(n) zonder tussenkomst van mij, notaris, vastgesteld of zullen bij afzonderlijke akte(n) zonder tussenkomst van mij, notaris, worden opgesteld. De vennootschap neemt de verplichtingen die uit de lijfrente voortvloeien op zich. (…)".

In de stamrechtovereenkomst, die pas op 16 juli 2010 tot stand is gekomen, zijn volgens de rechtbank de lijfrentebepalingen overeengekomen. Toen pas werden de verplichtingen van X en de BV bepaalbaar. De rechtbank nam in haar oordeel mee dat uit niets blijkt dat de BV bij de oprichting iets had afgesproken over een verbod op afkoop, vervreemding, prijsgeven of het tot zekerheid dienen van eventuele overeengekomen aanspraken. 
De rechtbank stelt X in het ongelijk.

Gerechtshof

X gaat in hoger beroep. En met succes. Het Hof geeft X gelijk.
 Het Hof is van oordeel dat X op het moment van inbreng van zijn onderneming in de BV een lijfrente heeft bedongen voor het bedrag van de oudedagsreserve. Volgens het Hhof duiden de bewoordingen in de notariële akte daar ondubbelzinnig op. De stamrechtverplichting op de openingsbalans van de BV is daarvan een bevestiging. De stamrechtovereenkomst van 16 juli 2010 is niet meer dan een schriftelijke vastlegging van wat partijen voor ogen stond bij het aangaan van de stamrechtovereenkomst, aldus het Hof.

Commentaar

Deze uitspraak laat weer eens duidelijk zien dat er een verschil bestaat tussen het aangaan van een overeenkomst en het schriftelijk vastleggen daarvan. Een overeenkomst komt tot stand als de ene partij een aanbod van de andere partij aanvaardt en er zodoende wilsovereenstemming ontstaat. Voorwaarde is daarbij wel dat de inhoud van de overeenkomst voldoende bepaalbaar is.
Kortom, niet het moment van afgifte van een schriftelijk bewijsstuk van de overeenkomst is het moment waarop de overeenkomst tot stand komt, maar het moment waarop sprake is van wilsovereenstemming. Met name in situaties waarin sprake is van harde deadlines, zoals in deze casus, is het van belang dit in het oog te houden.

 

Auteur: Vera Hek, adviseur AEGON Adfis
Bron: Gerechtshof Den Haag, 6 augsustus 2013, nummer BK-12/00897