Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Tijdsevenredige aanspraak bij premieovereenkomsten?

17 november 2008

Het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) heeft een opmerkelijke uitspraak gedaan over de opbouw van aanspraken bij premieovereenkomsten. Volgens deze uitspraak zou ook bij premieovereenkomsten de opbouw van aanspraken tijdsevenredig moeten verlopen. Volgens het CBB was dit onder de PSW zo, en is dat sinds 1 januari 2007 onder de PW niet anders. Ons lijkt deze conclusie voor de PW niet juist.

De casus

Een pensioenfonds kende als pensioenregeling een beschikbare premieregeling (premieovereenkomst). De pensioenaanspraak voor de deelnemer werd gevormd door de som van de betaalde premies verhoogd met het rendement daarop, waarbij een minimum rendement door het pensioenfonds werd gegarandeerd.
Bij beëindiging van de deelneming kreeg de deelnemer als aanspraak mee de som van de tot dat moment betaalde premies verhoogd met het (garantie)rendement.
Volgens DNB was deze aanspraak in strijd met artikel 8 PSW (verplichting tot meegeven van een tijdsevenredige aanspraak). Het pensioenfonds beriep zich erop dat in zijn regeling de aanspraak uitsluitend werd bepaald door de beschikbaar gestelde premies. Volgens artikel 8 PSW gold dan geen verplichting tot het meegeven van een tijdsevenredige aanspraak.
DNB was het hiermee niet eens: doordat de aanspraak werd verhoogd met het garantierendement, was geen sprake dat de aanspraak uitsluitend werd bepaald door de beschikbaar gestelde premies. DNB handhaafde haar aanwijzing.
Hiervan ging het pensioenfonds in beroep bij rechtbank Rotterdam. Deze stelde DNB in het gelijk.
Vervolgens tekende het pensioenfonds hoger beroep aan bij het CBB.

De uitspraak van het CBB

Ook het CBB stelt DNB in het gelijk: volgens artikel 7a PSW dient de opbouw en financiering van aanspraken tijdsevenredig te verlopen. Artikel 8 PSW sluit hierop aan: bij beëindiging van de deelneming heeft de deelnemer recht op een tijdsevenredige aanspraak. Beschikbare premieregelingen zijn hiervan niet per definitie uitgezonderd.
Volgens het CBB is dit sinds 1 januari 2007 onder de PW slechts anders voor de zuivere beschikbare premieregelingen.

Noot

Zoals in de aanhef vermeld, lijkt ons de uitspraak voor de PSW juist. Voor de PW is zij niet correct.
Immers, in tegenstelling tot het vroegere artikel 7a PSW beperkt artikel 17 PW het voorschrift van tijdsevenredige opbouw (verwerving) van pensioenaanspraken tot de uitkeringsovereenkomst en kapitaalovereenkomst.
Artikel 55 PW (Behoud pensioenaanspraak bij beëindiging deelneming) sluit hierop aan en maakt een duidelijk onderscheid tussen enerzijds uitkeringsovereenkomsten en kapitaalovereenkomsten en anderzijds premieovereenkomsten. Onder het begrip premieovereenkomst valt niet alleen de zuivere beschikbare premieregeling (= regeling waarbij de pensioenaanspraak uitsluitend wordt bepaald door de som van de betaalde premies vermeerderd met het rendement daarop)
Het is ons niet duidelijk waarop het CBB zijn uitspraak – althans voor de PW – baseert.

 

Bron: CBB 17 juli 2008 Pensioen Jurisprudentie 2008/96