Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Tweede nota van wijziging Verzamelwet pensioenen 2014 brengt nettolijfrenteregeling onder de verplichtstelling

16 juni 2014

Vrijdag publiceerde staatssecretaris Klijnsma de Tweede nota van wijziging Verzamelwet pensioenen 2014. Hierin brengt zij een - naar eigen zeggen - technische aanpassing aan. Hierdoor kan de nettolijfrente in de tweede pijler onder de verplichtstelling van een bedrijfstakpensioenfonds of een beroepspensioenregeling vallen. De vraag is of het inderdaad alleen een technische aanpassing is. Of dat sprake is van een oprekken van de taakafbakening tussen pensioenfondsen en verzekeraars.

Uitvoeren vrijwillige regeling door een pensioenfonds

Met ingang van 1 januari 2015 zijn fiscaal bovenmatige pensioenregelingen uitgesloten van de verplichtstelling. Onder een fiscaal bovenmatige regeling verstaat de wetgever; "pensioenregelingen die niet blijven binnen de begrenzingen die zijn opgenomen in artikel 18a van de Wet op de loonbelasting 1964 en die krachtens artikel 19d van die wet zijn aangewezen, behalve indien en zolang de in artikel 18a van die wet opgenomen begrenzingen op grond van hoofdstuk VIII van die wet op die pensioenregelingen niet van toepassing zijn". In hoofdstuk VIII staan de overgangsbepalingen in het kader van de VPL-wetgeving. De nota van wijziging voegt hieraan toe; "of sprake is van een nettolijfrente als bedoeld in afdeling 5.3A van de Wet op de inkomstenbelasting".  Door deze toevoeging is een nettolijfrente, ook al valt hij niet onder de omkeerregel, niet uitgesloten van de verplichtstelling.

Als een pensioenfonds een vrijwillige regeling uitvoert, moet het zich houden aan de regels van de taakafbakening zoals opgenomen in artikel 117-120 van de Pensioenwet. Een van de voorwaarden is, dat de werkgever ten minste 10% van de premie van de vrijwillige pensioenregeling bijdraagt. In het voorstel voor de nettolijfrente faciliteit staat echter ook dat deelname aan een nettolijfrenteregeling volledig vrijwillig moet zijn. Daarom moet een werkgever die een bijdrage geeft aan een deelnemer in de vrijwillige regeling, aan alle werknemers die niet deelnemen, maar overigens in dezelfde omstandigheden verkeren eenzelfde bijdrage geven. De vraag is nu of door de voorgestelde wijziging nog sprake is van een vrijwillige regeling, of dat de 10%-werkgeversbijdrage niet meer nodig is omdat de regeling onder de verplichtstelling valt.

Commentaar

De definitie van een vrijwillige pensioenregeling in de Pensioenwet luidt: "het deel van de pensioenregeling waaraan de werknemer op basis van de pensioenovereenkomst de mogelijkheid heeft om deel te nemen". In de toelichting op de nota van wijziging zegt de staatssecretaris; "Echter thans kunnen ook vrijwillige pensioenregelingen die onder de omkeerregel vallen worden verplicht gesteld. In dat geval geldt de verplichting de vrijwillige regeling aan te bieden aan de deelnemers. De verplichtstelling laat in dat geval de keuze van de deelnemer om wel of niet aan die vrijwillige regeling deel te nemen onverlet. De verplichtstelling heeft dan tot gevolg dat als de deelnemer om dat aanbod voor die vrijwillige pensioenregeling vraagt, dat verzoek moet worden ingewilligd". Een van de voorwaarden van de nettolijfrenteregeling is dat het opbouwen daarvan vrijwillig is. Naar onze mening is dan ook bij de onder de verplichtstelling vallende nettolijfrenteregeling dan ook nog steeds sprake van een vrijwillige pensioenregeling in de zin van artikel 117-120 Pensioenwet. Waarom dan toch deze wijziging? Het blijft gissen. Hij lost het probleem van de 10%-werkgeversbijdrage niet op, maar zorgt er wel voor dat het aantal aanbieders voor werkgevers die bij een verplichtgesteld BPF zitten, beperkt blijft tot het BPF zelf. De vraag in hoeverre dat wenselijk is komt hopelijk tijdens de kamerbehandeling aan de orde.

 

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis
Bron; Brief staatssecretaris Klijnsma een de Tweede Kamer van 13 juni 2014, nr. 2014-0000085809