Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Vanaf 2015 twee AOW-franchises in één pensioenregeling?

7 oktober 2014

Door de Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioen en maximering pensioengevend inkomen (wet VAP) is een tot nu toe onopgemerkt verschil in de minimale franchise bij eindloon- en middelloonregelingen aan het licht gekomen. Dat leidt ertoe dat vanaf 2015 twee verschillende AOW-franchises in één pensioenregeling kunnen ontstaan. De staatssecretaris van Financiën staat tijdelijk toe dat één franchise mag worden gebruikt.

Verschillende franchises door Wet VAP

De Wet VAP stelt het normpensioen met ingang van 1 januari 2015 voor een ouderdomspensioen op maximaal 75% van het gemiddeld genoten loon, opgebouwd in ten minste 40 dienstjaren. Tot nu toe was dat 70% van het laatste salaris, opgebouwd in 37 jaar. De jaarlijkse ruimte voor pensioenopbouw wordt per 1 januari 2015 beperkt tot ten hoogste 1,875% voor regelingen gebaseerd op het middelloonstelsel en tot ten hoogste 1,657% voor regelingen gebaseerd op het eindloonstelsel. Deze maxima gelden met inbegrip van het AOW-inbouwbedrag. Bij een normale loopbaanontwikkeling leiden deze percentages tot ongeveer hetzelfde pensioenresultaat op pensioeningangsdatum.

Om het bedrag van de AOW-inbouw te herleiden naar een franchise is een franchisefactor nodig. Deze franchisefactor moet zodanig worden bepaald dat 100% van het AOW-bedrag wordt ingebouwd bij een tijdsevenredig in 40 dienstjaren op te bouwen pensioen van 75% van het gemiddelde loon. In een eindloonstelsel wordt na 40 dienstjaren een pensioen bereikt ter grootte van 66,28% van het eindloon. Vanaf 1 januari 2015 is de franchisefactor voor een middelloonstelsel daarom 100/75 en voor een eindloonstelsel 100/66,28.

Dit verschil in franchise leidt tot grote uitvoeringsproblemen bij combinatie pensioenregelingen. Zoals een regeling met een ouderdomspensioen op basis van middelloon- of beschikbare premie en een partner- en/of wezenpensioen dat ingaat bij overlijden vóór pensioendatum op eindoonbasis.

Goedkeuring

De staatssecretaris keurt dat voor de gehele regeling de middelloonfranchise wordt gebruikt. Hij verbindt daaraan de voorwaarde dat voor  het partner- of wezenpensioen wordt uitgegaan van ten hoogste het pensioengevend loon op het moment van overlijden van de werknemer en  dat sprake is van een partnerpensioen op risico basis.

Deze goedkeuring treedt in werking met ingang van 1 januari 2015 en vervalt met ingang van 1 januari 2018.

Commentaar

In dit besluit komt het ministerie tegemoet aan het verzoek uit de markt. Het Verbond van Verzekeraars pleitte voor één minimale franchise voor alle pensioensystemen: een franchise zoals voor het middelloonsysteem, uitgaande van 100/75. Zie ook ons bericht van 28 juli.

Opvallend is dat het verschil in franchise nu pas aan het licht komt. De regelgeving rond de franchise verandert door de Wet VAP niet. Het verschil in franchise bij middelloon en eindloon bestaat kennelijk al veel langer. Alleen realiseerde niemand zich dat. Op basis van de nu door de belastingdienst voorgeschreven methode is dus jarenlang voor middelloonregelingen een te hoge franchise gehanteerd. Het argument van de belastingdienst dat uiteraard altijd een hogere franchise mag worden gebruikt dan de fiscaal minimale, doet wat gekunsteld aan. Waarschijnlijker is dat ook de belastingdienst dit verschil nooit eerder heeft onderkend. Het beste bewijs daar voor is artikel 10aa Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965. In dit artikel staat dat je een lagere franchise mag gebruiken als je ook een lager opbouwpercentage hanteert. Daarbij maakt het artikel een verschil in opbouwpercentages voor eindloon en middelloon, maar voor de daarbij behorende franchise niet!

De staatssecretaris schrijft dat hij de tijdelijke goedkeuring verleent om redenen van eenvoud en doelmatigheid. Het meest eenvoudig is voor alle pensioensystemen één franchise te hanteren. Ook na 1 januari 2018. Dat deden we vóór 2015 toch ook al. Het budgettaire belang voor de overheid is namelijk relatief gering omdat het alleen voor partnerpensioen op risicobasis geldt. De extra risicopremies zijn in verhouding laag en wegen niet op tegen de investeringen die pensioenuitvoerders moeten doen en de systemen om twee franchises in één regeling mogelijk te maken.

 

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis
Bron: Besluit 23 september 2014, nr BLKB2014/1702M (pdf).