Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Verlaging factor A in 2014

7 januari 2014

In 2014 zijn de aftrekmogelijkheden voor lijfrentepremies beperkt. Omdat de factor A (de pensioenaangroei) betrekking heeft op 2013, mag voor de berekening van de maximale jaarruimte in 2014 rekening worden gehouden met 35/37 van de factor A.

Berekening maximale jaarruimte

De premie voor de lijfrente is aftrekbaar als uitgave voor inkomensvoorziening, indien deze dient ter compensatie van een pensioentekort van de belastingplichtige. De wetgever heeft in de wet rekenregels neergelegd om de maximale lijfrentepremieaftrek te kunnen. Van een pensioentekort is sprake als deze rekenregels een positieve uitkomst opleveren. Bij de bepaling van de maximale aftrekbare premie moeten we rekening houden met andere oudedagsvoorzieningen waarvoor fiscale faciliteiten gelden. De maximaal in aftrek te brengen lijfrentepremie bestaat uit de jaarruimte en de reserveringsruimte.

Ondernemers hebben extra aftrekmogelijkheden.

De jaarruimte is bedoeld ter compensatie van een tekort in de pensioenopbouw in het voorafgaande jaar. Uitsluitend belastingplichtigen die bij aanvang van het kalenderjaar jonger zijn dan de AOW-leeftijd kunnen van deze aftrek gebruik maken. Voor de bepaling van de jaarruimte in 2014 moet de volgende formule worden gehanteerd:
0,155 x premiegrondslag - 7,5A - F (= toename van de oudedagsreserve)

De elementen in deze formule hebben betrekking op inkomen en voorzieningen in het jaar voorafgaande aan het jaar waarover premieaftrek wordt geclaimd. De maximale aftrek over het jaar 2014 baseren we dus op de gegevens van het jaar 2013.

Factor 0,155 

De factor bedroeg tot 2014, 0,17. Deze factor was vastgesteld op basis van het uitgangspunt dat een belastingplichtige met lijfrentepremieaftrek gedurende 35 jaar op 65-jarige leeftijd de 70%-norm kan bereiken. In 2014 ging de factor 0,17 omlaag naar 0,155. Dit is het gevolg van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd (Wet VAP). Deze wet beperkt niet alleen het fiscale kader voor de opbouw van pensioenen in de tweede pijler, maar ook de opbouwruimte in de derde pijler. Vanaf 2015 volgt deze factor de verhoging van de pensioenleeftijd in de Wet op de loonbelasting. Steeds als de pensioenleeftijd omhoog gaat, gaat de factor 0,155 (15,5%) omlaag, met 0,006 (0,6%) maal het aantal jaren waarmee de pensioenleeftijd stijgt.

Premiegrondslag

De premiegrondslag bestaat uit het inkomen van het voorafgaande jaar minus de AOW-franchise (€ 11.829 voor 2014).

Factor A

De factor A staat voor de aangroei van pensioenaanspraken in het voorafgaande jaar, als gevolg van toeneming van de diensttijd in het desbetreffende jaar. In 2014 is de 7,5A verlaagd naar 7,2A. Ook dit is het gevolg van de Wet VAP. Vanaf 2015 volgt de vermenigvuldigingsfactor de verhoging van de pensioenleeftijd in de Wet op de loonbelasting. Steeds als de pensioenleeftijd wordt verhoogd, wordt 7,2A naar beneden bijgesteld: met 0,3 maal het aantal jaren waarmee de pensioenleeftijd stijgt.

De aftrekmogelijkheden in 2014 zijn dus beperkt. In de formule van de jaarruimte moeten we de pensioenaangroei over 2013 gebruiken. De aangroei over 2013 is gebaseerd op het toen geldende Witteveen-kader dat ruimer was dan het vanaf 2014 geldende kader. Om te voorkomen dat deze pensioenaangroei tot een onevenredige inperking leidt van de jaarruimte in 2014, wordt de berekende  pensioenaangroei vermenigvuldigd met 35/37. Deze aangepaste berekening geldt uitsluitend in 2014.

 

Bron: Regeling van de Staatssecretaris van Financiën van 30 december 2013, nr. DB 2013/599M tot wijziging van enige fiscale uitvoeringsregelingen en van enige overige uitvoeringsregelingen alsmede van de Wet belastingen op milieugrondslag

Erik Schouten, adviseur Aegon Adfis