Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Vragen Tweede Kamer over Wet verlaging Witteveenkader beantwoord

11 juni 2013

Op 16 april diende het kabinet een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer in om het Witteveenkader te verlagen. De Kamer stelde hier veel vragen over die de staatssecretaris van Financiën beantwoordde in de Nota naar Aanleiding van het Verslag. Wij hebben een aantal interessante vragen voor u geselecteerd.

Wetsvoorstel en alternatief sociale partners

Het wetsvoorstel (met de officiële naam: Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioenen en maximering pensioengevend inkomen) is een uitwerking van het Regeerakkoord. Voorgesteld wordt om 1 januari 2015 de Wet op de loonbelasting en de Pensioenwet te wijzigen. Het doel is om een bezuiniging te realiseren die structureel zo’n 1,4 miljard euro moet gaan bedragen. Voor de inhoud van dit wetsvoorstel verwijzen wij naar ons nieuwsbericht van 17 april. 
Het is overigens de vraag of dit wetsvoorstel in de huidige vorm ingevoerd gaat worden. In het sociaal akkoord hebben de sociale partners afgesproken om een alternatief voor de voorgestelde aanpassingen te zoeken. Zij hadden tot 1 juni de tijd om dit te doen, maar deze termijn is verlengd. Zie ook ons nieuwsbericht van 12 april.

Partner pensioen op risicobasis

Vraag: Hoe gaat dit wetsvoorstel om met de opbouw van partnerpensioen op risicobasis voor en na 1 januari 2015?

Antwoord: Voor de toekenning van op risicobasis verzekerd partnerpensioen moet in beginsel worden uitgegaan van het fiscale regime zoals dat van toepassing is in het jaar dat het pensioen wordt toegekend. In geval van een partnerpensioen op risicobasis is sprake van een repeterende pensioentoezegging op basis van éénjarige risico's. Indien het verzekerde risico zich aan het einde van het jaar niet heeft voorgedaan, doet de werkgever in het volgende jaar opnieuw een toezegging van een partnerpensioen op risicobasis. Dit betekent in beginsel dat in 2015 voor het partnerpensioen op risicobasis in een eindloonstelsel maximaal mag worden uitgegaan van een opbouwpercentage per dienstjaar van 1,09% van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon en in een middelloonstelsel van een opbouwpercentage per dienstjaar van 1,23% van het pensioengevend loon of bereikbaar pensioengevend loon. Plus dat – voor de gehele toezegging - rekening dient te worden gehouden met de aftopping van het pensioengevend loon. Echter bij een partnerpensioen op opbouwbasis worden de over de dienstjaren tot 1 januari 2015 met toepassing van destijds geldende opbouwpercentages opgebouwde aanspraken gerespecteerd. Daarom zal met het oog op een redelijke wetstoepassing worden goedgekeurd dat ook bij een partnerpensioen op risicobasis voor wat de vóór 1 januari 2015 liggende dienstjaren betreft mag worden uitgegaan van de destijds toegestane opbouwpercentages. Bovendien hoeft voor het deel van de toezegging dat op die dienstjaren betrekking heeft geen rekening te worden gehouden met de aftopping van het pensioengevend loon. Met betrekking tot de verlaging van de percentages per 1 januari 2014 zal een vergelijkbare goedkeuring gelden.

Commentaar: Wij zijn het eens met de uitkomst, namelijk dat nabestaandenpensioen op risico- of opbouwbasis gelijk worden behandeld. Alleen het uitgangspunt van de staatssecretaris klopt niet. De toezegging en financiering haalt hij door elkaar . Het maakt voor de toezegging van het nabestaandenpensioen niet uit hoe deze wordt gefinancierd. Of dit nu gedaan wordt op risico- of op opbouwbasis; de uitkering bij overlijden is hetzelfde omdat de toezegging bepalend is.

Premievrijgestelden wegens arbeidsongeschiktheid

Vraag: Hoe wordt omgegaan met mensen die op 1 januari 2015 langdurig ziek zijn, maar nog niet de minimale ziekteperiode van 104 weken hebben? Ze krijgen premievrijstelling op basis van de premie zoals die gold op de eerste ziektedag. Hoe wordt de premie op de eerste ziektedag aangepast naar het nieuwe Witteveenkader?

Antwoord: De pensioenopbouw die na 31 december 2014 plaatsvindt, moet in beginsel voldoen aan het op dat moment geldende Witteveenkader. Het is echter de bedoeling om voor pensioenregelingen die premievrij zijn gemaakt vanwege ziekte of arbeidsongeschiktheid bij beleidsbesluit een soortgelijke tegemoetkoming te laten gelden als in het kader van de invoering van de Wet VPL voor dergelijke regelingen is getroffen. Die is opgenomen in het besluit van 9 september 2010, nr. DGB2010/2733M, Stcrt. 2010, 14304. Voor de in de vraag geschetste casus betekent het dat de premievrijstelling in werking treedt na de periode van 104 weken en dus na 31 december 2014 waardoor de premievrijstelling aan moet sluiten bij het nieuwe Witteveenkader.

Commentaar: De staatssecretaris geeft hier een helder antwoord op de vraag. Naar onze mening is dit ook een redelijke oplossing, in lijn met hetgeen in het verleden is besloten.

Afkoop

Het wetsvoorstel maakt het mogelijk dat pensioenaanspraken afkoopbaar zijn voor zover zij uitgaan boven de fiscale grenzen die gelden vanaf 1 januari 2015. Pensioen opgebouwd vóór 1 januari 2015 tegen een hoger opbouwpercentage dan het opbouwpercentage dat geldt vanaf 1 januari 2015 zou dan ook gedeeltelijk kunnen worden afgekocht. Hierover zijn de volgende vragen gesteld.

Vraag: Welke regels gaat het kabinet aanpassen aangaande het afkoopverbod? Geldt de aanpassing voor opbouw na 2015 of ook voor de opgebouwde waarde voor 2015? In hoeverre geniet het box 3-vermogen nog bescherming in geval van faillissement? Worden er voorwaarden gesteld bij afkoop in relatie tot de financiële positie van het fonds?

Antwoord: Het opheffen van het afkoopverbod heeft betrekking op de pensioenopbouw vanaf 1 januari 2015. Voor het afkoopbare gedeelte gelden niet de beschermingsregels bij het faillissement. Er worden er geen voorwaarden gesteld, zoals voorwaarden aan de financiële positie van de pensioenuitvoerder. De pensioenuitvoerder bepaalt de afkoopwaarde.

Commentaar: De antwoorden zijn logisch maar niet in overeenstemming met de tekst van het wetsvoorstel en de memorie van toelichting. De bedoeling is nu wel duidelijk.

Bovenmatig gedeelte alleen vrijwillig?

Vraag: Voor pensioenfondsen is expliciet bepaald dat deze het fiscaal bovenmatige gedeelte van een pensioenregeling uitsluitend als vrijwillige regeling mogen uitvoeren. Hoe is de situatie ingeval een dergelijke pensioenregeling is ondergebracht bij een pensioenverzekeraar?

Antwoord: In de voorgestelde aanpassing van artikel 117 van de Pensioenwet wordt bepaald dat een pensioenfonds een fiscaal bovenmatige regeling uitsluitend kan uitvoeren als vrijwillige pensioenregeling. Die bepaling heeft tot doel te vermijden dat werknemers kunnen worden verplicht om deel te nemen aan een fiscaal bovenmatige pensioenregeling waarbij die deelnemer tevens gebonden is aan een box 3 heffing over dat kapitaal. Voor de overige pensioenuitvoerders (de pensioenverzekeraar en de premiepensioeninstelling) is deze bepaling niet expliciet opgenomen, omdat dat op andere wijze kan worden gerealiseerd. Op grond van de Wet op het financieel toezicht gelden voor financiële dienstverleners, waaronder premiepensioeninstellingen en verzekeraars, bepalingen die moeten voorkomen dat zij producten aanbieden die niet in het belang zijn van de cliënt of begunstigde. Zo zijn financiële dienstverleners per 1 januari 2013 verplicht om een productontwikkelingsproces te hebben. Dit proces dient ervoor dat zij bij het ontwikkelen van financiële producten op evenwichtige wijze rekening houden met de belangen van de consument van het financieel product. Het financieel product dient aantoonbaar het resultaat te zijn van die belangenafweging. Indien een financieel product afbreuk doet aan de belangen van de consument zal de financiële dienstverlener het aanbieden moeten staken of het product moeten aanpassen. Van een dergelijke afbreuk aan de belangen is in ieder geval sprake indien het product nauwelijks toegevoegde waarde kan leveren gezien de beoogde doelstelling, of wanneer de doelstelling in vrijwel geen enkel scenario kan worden bereikt met het product.

Commentaar: De Wet op het financieel toezicht is niet van toepassing op pensioenfondsen. Dit maakt het nodig dat voor pensioenfondsen een bepaling wordt opgenomen die voorkomt dat werkgevers (en deelnemers) verplicht worden opgezadeld met een pensioen(deel) waarop de omkeerregel niet van toepassing is. En die mogelijk niet in hun belang is. Het kabinet maakt duidelijk dat dit belang bij verzekerde regelingen gedekt wordt door de Wft.

 

Auteurs: Herman Kappelle en Erik Schouten, AEGON Adfis

Bron: Nota naar aanleiding van het verslag Wet verlaging maximumopbouw- en premiepercentages pensioenen en maximering pensioengevend inkomen, nr. 33.610.