Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

VVD stelt vragen over premiepercentages bij een lagere pensioenrichtleeftijd

30 januari 2015

In ons nieuwsbericht van 27 januari schreven wij over de uitbreiding van de tabel met opbouwpercentages voor een pensioenregeling met een pensioenrichtleeftijd vóór 67 jaar. De uitbreiding bestaat uit een herrekend opbouwpercentage voor een pensioenleeftijd volgens de pensioenregeling van 66 11/12 jaar!

Wij vonden deze uitbreiding opmerkelijk. En dat vindt kamerlid Lodders van de VVD kennelijk ook. Zij stelt de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de staatssecretaris van Financiën de volgende vragen over de premiepercentages bij een pensioenrichtleeftijd lager dan 67 jaar.

  1. Bent u bekend met het door het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen van de Belastingdienst gepubliceerde antwoord op vragen over de pensioenrichtleeftijd onder de 67 jaar?
  2. Betekent dit antwoord dat sociale partners en vervolgens pensioenuitvoerders alle pensioenregelingen, die een pensioeningangsdatum kennen van de eerste van de eerste van de maand waarin de deelnemer 67 jaar wordt, in combinatie met een opbouwpercentage van 1,875 (middelloon) of 1,657 (eindloon), moeten aanpassen?
  3. Hoeveel van dergelijke regelingen bestaan er?
  4. Klopt het dat dit standpunt niet direct voortvloeit uit de wijzigingen van het Witteveenkader? Als het niet uit het wetsvoorstel “Witteveenkader” komt, wanneer is dit dan besloten? En betekent dit dan, dat er nu een extra (na de herberekening die wel voortvloeit uit het Witteveenkader) herberekening gemaakt moet worden?
  5. Bent u met de VVD eens dat dat de opbrengst van de actuariële korting naar 66 11/12 jaar (0,012 % per jaar) niet opweegt tegen de kosten die gemoeid zijn met een aanpassing en de verwerking daarvan in de administratie?
  6. Kunt u aangeven wat het effect is op de pensioenuitkering van deze korting voor iemand met een modaal inkomen?
  7. Bent u bereid om op pragmatische gronden toe te staan dat bij pensioenregelingen, die een pensioeningangsdatum kennen van de eerste van de maand waarin de deelnemer de 67-jarige leeftijd bereikt, mag worden uitgegaan van de in artikel 18a, eerste en tweede lid Wet LB 1964 genoemde opbouwpercentages door dergelijke pensioenregelingen op basis van artikel 19d Wet LB 1964 aan te wijzen als zuivere pensioenregelingen? Zo nee, bent u dan bereid de wet te wijzigen zodat onnodige kosten bij pensioenuitvoerders vermeden kunnen worden?

 

Wij zijn benieuwd naar de antwoorden.

 

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 30 januari 2015