Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Actualisering Besluit waardering pensioenen en lijfrenten

3 april 2019

Op 19 maart 2019 actualiseerde de staatssecretaris van Financiën het besluit van 3 juli 2008, nr. CPP2008/447M over waarderingsaspecten van pensioenen en lijfrenten. De staatssecretaris beoogt met de aanpassing van dit besluit geen inhoudelijke wijziging. Dit besluit is van belang voor DGA’s met pensioen of lijfrente in eigen beheer

Inleiding

Dit besluit behandelt twee aandachtsgebieden namelijk de waarde in het economische verkeer (WEV) en de waardering van de verplichting voor bepaling van de fiscale winst. De WEV speelt een rol bij het beoordelen van de zakelijkheid van pensioenaanspraken die door een BV (werkgever) aan een directeur-grootaandeelhouder (DGA) zijn toegekend.

Waarde in het economische verkeer

De WEV is van belang wanneer een BV de pensioenverplichting tegen koopsombetaling overdraagt aan een pensioenlichaam. De aan het pensioenlichaam verschuldigde koopsom en premies moeten zijn gebaseerd op een door de BV en het pensioenlichaam gesloten schriftelijke financieringsovereenkomst. De koopsom en de premies moeten zakelijk zijn en mogen geen voorfinanciering bevatten.

Bij nominale en vast geïndexeerd pensioenen is de WEV gelijk aan de koopsom/premies die voor verzekering van de overgedragen verplichting aan een levensverzekeringsmaatschappij moet worden betaald. Het gaat daarbij om de bruto tarieven minus eventuele kortingen. Veel pensioenregelingen kennen een indexatie die afhankelijk is van de loon- en/of prijsindex in de toekomst en de bedrijfsresultaten van de BV. Omdat verzekeringsmaatschappijen geen tarieven hebben voor een dergelijke open indexatie mogen partijen bij de vaststelling van de WEV uitgaan van een vaste stijging van 2%.

Het pensioen moet zakelijk zijn. De grens tussen zakelijk en onzakelijk handelen is niet in zijn algemeenheid aan te geven. Dit zal steeds aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval dienen te worden beoordeeld. Daarbij moet worden getoetst aan de totale arbeidsbeloning.

De staatssecretaris acht een pensioenregeling van een DGA niet zakelijk als de DGA in de regeling ook pensioen opbouwt over inkoop van dienstjaren. Deze inkoop is evenwel wel zakelijk als in het jaar van inkoop de extra ingekochte diensttijd niet meer bedraagt dan de pensioengevende diensttijd van het jaar waarin de inkoop plaatsvindt.

Waardering van pensioenverplichtingen

Bij de waardering van pensioenverplichtingen voor bepaling van de fiscale winst spelen de volgende aspecten een rol:

  • Kosten;
  • Rente;
  • Sterfte; en
  • Indexatie

Bij de waardering van de pensioenverplichting blijven kosten buiten beschouwing. De BV moet uitgaan van netto gebruikelijke overlevingstafels. Daarbij moet de BV een rente hanteren die gelijk is aan de geldende marktrente voor langlopende leningen ten tijde van het aangaan van de verplichtingen. Wanneer de marktrente lager is dan 4% moet op basis van de Wet op de inkomstenbelasting worden uitgegaan van 4%. Bij een daling van de rente mag de verplichting hoger gewaardeerd worden. Maar als de rente daarna weer stijgt moet de verplichting lager worden opgewaardeerd met dien verstande dat geen hoger percentage hoeft te worden gehanteerd dan de oorspronkelijke marktrente bij het aangaan van de verplichting.

De BV mag geen overlevingstafel hanteren waarin rekening is gehouden met verwachtingen betreffende toekomstige levensverwachtingen. Leeftijdsterugstelling is alleen toegestaan ter correctie van het verschil tussen de gehanteerde overlevingstafel en een overlevingstafel van recentere datum.

Bij de waardering van pensioen in eigen beheer mag de BV geen rekening houden met toekomstige indexatie. Echter als de marktrente hoger is dan 4% en het pensioen is geïndexeerd mag de BV bij de waardering uitgaan van de marktrente minus het percentage van de indexatie, mits en voor zover de rente na deze aftrek niet lager uitkomt dan 4%. Bijvoorbeeld bij een pensioen met een open indexatie en een marktrente van 5% mag de BV waarderen op 4%.

Bij de waardering van de pensioenverplichting moet de BV uitgaan van de marktrente en de gebruikelijke overlevingstafels ten tijde van het aangaan van de verplichting. Bij elke jaarlijkse aangroei van de pensioenaanspraak is sprake van een nieuwe verplichting. Dit betekent dat elke jaarlaag in beginsel andere grondslagen kent. Omdat dit in de praktijk tot problemen leidt keurt de staatssecretaris goed dat de jaarlijkse aangroei ten gevolge van toename van de diensttijd of aanpassing aan de loon- of prijsontwikkeling niet hoeft te worden aangemerkt als het aangaan van een nieuwe verplichting. De BV mag de verplichting jaarlijks waarderen tegen de marktrente en de overlevingstafel van het boekjaar waarin de pensioenverplichting voor de eerste keer is aangegaan. Hierbij kan de BV uitgaan van de grondslagen op het einde van dat jaar.

Als het pensioen op een andere wijze wordt verhoogd moet de BV voor de waardering van de nieuwe verplichting (aangroei) wel uitgaan van de marktrente en de overlevingstafel in het jaar van aangroei.

Waardering van lijfrenteverplichtingen

Het gaat hier om de waardering van lopende of uitgestelde zuivere lijfrenten in eigen beheer. De grondslagen voor de waardering van deze verlichtingen zijn hetzelfde als die bij de waardering van de pensioenverplichtingen in eigen beheer. Er geldt een uitzondering op deze regel voor wat betreft de sterftegrondslagen. Anders dan bij pensioen mag bij de sterftegrondslagen rekening worden gehouden met een leeftijdscorrecties die verzekeringsmaatschappijen doorgaans ook hanteren. De leeftijdscorrecties van verzekeringsmaatschappijen bestaan veelal uit een correctie in verband met anti-selectie en een correctie ten aanzien van de verwachte stijging van het sterftejaar.

Commentaar

De staatssecretaris beoogt met de aanpassing van dit besluit geen inhoudelijke wijziging. De enige aanpassingen zijn dan ook verwijzingen naar nieuwe wetgeving en redactionele wijzigingen. Omdat de markrente op dit moment veel lager is dan de voorgeschreven 4% hebben de regels van jaarlagen en de op- en afwaardering van verplichtingen bij wijziging van grondslagen op dit moment geen effect.

Het belang van dit besluit neemt af door de Wet uitfasering pensioen in eigen beheer en de afschaffing van de stamrechtvrijstelling voor ontslagvergoedingen. Meer dan helft van de DGA ‘s met pensioen in eigen beheer heeft gebruik gemaakt van afkoop of omzetting in een oudedagsverplichting. Hoewel afkoop of omzetting nog tot 31 december van dit jaar mogelijk is verwachten we hiervan geen sterke toename meer. Daarmee is het pensioen in eigen beheer sterk afgenomen. En voor nieuwe regelingen is het sowieso niet meer mogelijk om pensioen in eigen beheer te houden. Na verloop van tijd zal dit besluit dan ook nog alleen gelden voor stakingslijfrenten die ondernemers hebben bedongen van de overnemende onderneming.

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Waarderingsaspecten van pensioenen en lijfrenten, besluit van 19 maart 2019, nr.2019-6904

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 3 april 2019.