Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws CAP beantwoordt vragen over overgangsregime Wet toekomst pensioenen

CAP beantwoordt vragen over overgangsregime Wet toekomst pensioenen

22 maart 2021

Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen van de Belastingdienst beantwoordt vragen van Aegon Adfis over de toepassing van het voorgesteld nieuwe artikel 38q Wet LB 1964 en geeft aan wanneer in de periode 2022-2026 sprake is van een wijziging op meer dan ondergeschikte punten.

Overgangsregime in PW en Wet LB 1964

Voor op 1 januari 2022 bestaande premieovereenkomsten en rechtstreeks verzekerde middelloonregelingen voorziet het concept wetsvoorstel Wet toekomst pensioenen in een overgangsregeling. Voor de Pensioenwet is deze opgenomen in het voorgestelde artikel 220e en voor de Wet LB 1964 in artikel 38q.

Artikel 220e. Overgangsrecht progressieve premie

  1. In afwijking van artikel 17 mag de door of voor een deelnemer verschuldigde premie tot het moment van beëindiging van de deelneming een met de leeftijd oplopend percentage van het loon dat voor de pensioenberekening in aanmerking wordt genomen bedragen, mits:
    op 31 december 2021 sprake was van een premieovereenkomst met een met de leeftijd oplopend premiepercentage of een uitkeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 1, zoals dat artikel luidde op 31 december 2021, met een met de leeftijd oplopend premiepercentage ondergebracht bij een verzekeraar;
    b. de deelneming van de deelnemer reeds was aangevangen op de dag voordat voor nieuwe deelnemers een pensioenovereenkomst geldt waarbij de premie conform artikel 17 voor alle deelnemers een gelijk percentage van het loon dat voor de pensioenberekening in aanmerking wordt genomen bedraagt, doch uiterlijk op 31 december 2025; en
    c. de pensioenovereenkomst niet het karakter heeft van een nieuwe premieovereenkomst.

 

Artikel 38q

  1. Voor op 31 december 2021 bestaande pensioenregelingen die niet voldoen aan hoofdstuk IIB blijven tot uiterlijk 1 januari 2026 de artikelen 18 tot en met 18ga alsmede de daarop gebaseerde bepalingen van toepassing, zoals deze luidden op 31 december 2021, met dien verstande dat ingeval een pensioenregeling in die periode op meer dan ondergeschikte punten wordt gewijzigd, deze daarbij geheel in overeenstemming dient te worden gebracht met hoofdstuk IIB.
     

Toezeggingen minister Koolmees en memorie van toelichting

In antwoord op Kamervragen van Steven van Weyenberg (D66) gaf minister Koolmees (SZW) zonder enig voorbehoud aan dat bestaande rechtstreeks verzekerde middelloonregelingen tot 1 januari 2026 omgezet kunnen worden in een premieovereenkomst met progressieve staffel. Zie ons nieuwsbericht van 10 december 2020

Vraag 4
Kunt u bevestigen dat met dit overgangsrecht is beoogd om werkgevers en werknemers, ook bij rechtstreeks verzekerde uitkeringsovereenkomsten, tot uiterlijk 1 januari 2026 de tijd te geven om een keuze te maken tussen voortzetting van een progressieve premie of de overstap naar een leeftijdsonafhankelijke premie?

Antwoord 4
Ja

In de memorie van toelichting bij het concept wetsvoorstel staat de volgende passage; “Voor de bestaande uitkeringsregelingen met een progressieve premie die worden uitgevoerd door verzekeraars, geldt dat werkgevers en werknemers uiterlijk tot 1 januari 2026 de tijd krijgen om de keuze te maken of zij de progressieve premie willen eerbiedigen of dat zij de overstap maken naar een leeftijdsonafhankelijke premie.”

De vraag rees in hoeverre de voorwaarde in het voorgestelde artikel 38q Wet LB 1964 dat bij een wijziging op meer dan ondergeschikte punten de regeling meteen moet voldoen aan het nieuwe regime, strijdig is met deze op zichzelf glasheldere toezegging van Koolmees. Met name in het geval dat een bestaande middelloonregeling in de periode 2022-2026 wordt omgezet naar een premieovereenkomst met een premie op basis van een stijgende staffel.

Een bijkomende vraag is of een werkgever die nu een premieovereenkomst heeft op basis van een kostprijsstaffel die gebaseerd is op een rekenrente < 1,5% (omdat de marktrente in de middelloontarieven daar inmiddels onder zit en dit dus een toegestane staffel is) deze na 1 januari 2022 mag handhaven, mits hij uiterlijk op 1 januari 2026 voldoet aan de in artikel 38q, tweede lid opgenomen staffel.

Wij legden deze vragen voor aan het Centraal aanspreekpunt pensioenen van de Belastingdienst.

Antwoorden CAP

Het CAP geeft aan op basis van hun lezing van de concept wetteksten tot de volgende interpretaties te komen:

1. Als de werkgever een middelloonregeling heeft verzekerd tegen actuariële premie, dan mag die regeling tot 2026 door blijven lopen. Vanaf 1-1-2026 moet de werkgever dan ofwel over naar een stijgende staffel passend binnen artikel 38q, Wet LB 1964 (de 1,5%-staffel) of de werkgever moet over naar een gelijke leeftijdsonafhankelijke premie.

2. Kiest de werkgever ervoor de middelloonregeling nog voor 2022 om te zetten in een stijgende staffel, dan valt die staffel geheel onder het overgangsregime tot de laatste deelnemer met pensioen is gegaan, met dien verstande dat de regeling per 2026 moet passen binnen de ruimte van de 1,5%-staffel van art 38q, Wet LB 1964.

3. Kiest de werkgever ervoor om de middelloonregeling tussen 2022 en 2026 om te zetten in een stijgende staffel, dan is volgens het CAP sprake van een meer dan ondergeschikte wijziging en moet de staffel voldoen aan de grenzen van de 1,5%-staffel van artikel 38q, Wet LB 1964.

4. Heeft een werkgever nu een stijgende staffel dan mag die door blijven lopen tot 2026 en moet de staffel per 2026 passen binnen de kaders van de 1,5%-staffel. Tussentijdse aanpassing van de rekengrondslagen is een ondergeschikte wijziging en mag dus leiden tot aanpassing van de staffel.

Commentaar

Op het eerste gezicht lijken de voorgestelde artikelen 220e PW en 38q Wet LB 1964 innerlijk tegenstrijdig. Met name bij het omzetten van een middelloonregeling in een premieovereenkomst op basis van een stijgende staffel is moeilijk vol te houden dat er geen sprake is van een wijziging op meer dan ondergeschikte punten. Strikte toepassing van het voorgesteld artikel 38q Wet LB 1964 maakt het overgangsregime voor bestaande middelloonregelingen tot een loze bepaling. Gelukkig kiest het CAP niet voor deze strikte benadering en hanteert het een ruimere en pragmatische interpretatie, waarmee de markt uit de voeten moeten kunnen. Wel lijkt het ons een goede zaak als deze interpretatie ook in de uiteindelijke wetteksten wordt vastgelegd. En de kanttekening dat het gaat om een (voorlopige) interpretatie van concept wetteksten. Zekerheid hebben we pas als de uiteindelijke wet in het Staatsblad staat.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: E-mail van de voorzitter van het Centraal aanspreekpunt pensioenen van 15 maart 2021

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 22 maart 2021.