Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Conserverende aanslag pensioen en lijfrente

26 juli 2017

De Hoge Raad vindt het opleggen van een conserverende aanslag bij emigratie voor pensioen en lijfrente niet altijd in strijd met het Belastingverdrag Nederland - Frankrijk.

Wet en Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting

Op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB2001) kan bij emigratie van een belastingplichtige een conserverende aanslag worden opgelegd. In dat geval gaat de belastingdienst uit van een belastbaar inkomen ter grootte van de waarde in het economische verkeer van de lijfrente en/of het pensioen ten tijde van de emigratie. Als een Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting (Verdrag) de heffing over de lijfrente en/of het pensioen toewijst aan de woonstaat wordt het belastbaar inkomen van de conserverende aanslag gesteld op de in aftrek gebrachte premies. Nederland heeft met veel landen een Verdrag gesloten. De meeste Verdragen wijzen de heffing over lijfrente en pensioen toe aan het woonland.

Conserverende aanslag

X draagt in 1992 zijn zelfstandige onderneming over aan de door hem opgerichte A BV. Voor de stakingswinst en de FOR bedingt hij van A BV een stamrecht. Tevens kent A BV aan X pensioenaanspraken toe. De pensioenverplichting houdt A BV in eigen beheer.

Op 31 december 2014 emigreert X naar Frankrijk. De inspecteur legt X een conserverende aanslag inkomstenbelasting en premieheffing volksverzekeringen op en een beschikking revisierente. De conserverende aanslag bevat de waarde in het economische verkeer van de pensioenaanspraak en van de lijfrente, ter grootte van respectievelijk € 379.570 en € 162.722.

X is het niet eens met oplegde conserverende aanslag. Voor het onderzoek of de conserverende aanslag en de beschikking revisierente terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd stelt de Rechtbank prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.

Hoge Raad

De Rechtbank vraagt de Hoge Raad om antwoord op de vraag of het in heffing betrekken van  pensioen en de lijfrente bij emigratie in strijd komt met de goede trouw die in acht moet worden genomen bij de uitlegging en toepassing van het Verdrag Nederland-Frankrijk.

De Hoge Raad stelt vast dat het in de heffing betrekken van de negatieve uitgaven plaatsvindt vóór de emigratie en de belastingplichtige in beginsel geen beroep kan doen op het Verdrag. Uit eerdere jurisprudentie blijkt  volgens de Hoge Raad dat de nationale wetgeving een Verdrag niet mag uithollen: “De goede trouw die in acht moet worden genomen bij de uitleg van deze verdragsbepaling brengt mee dat zij niet kan worden uitgehold of ontgaan door een regeling op grond waarvan (een gedeelte van) de waarde van de aanspraak op de lijfrente tot het inkomen wordt gerekend op het moment dat onmiddellijk aan de emigratie voorafgaat.”

De huidige tekst van de Wet IB2001 voorziet erin dat bij emigratie niet de waarde van de aanspraak op pensioen of lijfrente is belast maar de voorwaardelijk verleende aftrek van lijfrente- en pensioenpremies in aanmerking worden genomen als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Dit is volgens de Hoge Raad niet in strijd met Verdragsbepalingen en holt toepassing van het Verdrag ook niet uit. De Hoge Raad nuanceert dit wel omdat de wettekst van de Wet IB2001 niet steeds voorzag in het terugnemen van de voorwaardelijk verleende aftrek van premies voor lijfrente en pensioen. Voor zover de wettekst voorzag in het bij emigratie belasten van de aanspraken op pensioen en lijfrente is wel sprake van uitholling van het Verdrag. Dit houdt in dat bij het opleggen van een conserverende aanslag de genoten premieaftrek moet worden gecompartimenteerd. Bij lijfrente kan de voorwaardelijke premieaftrek slechts worden teruggenomen indien zij tussen 1 januari 1992 en 1 januari 2001 dan wel na 15 juli 2009 in aftrek zijn gebracht.  Bij pensioen kunnen alleen de premies die niet tot het loon zijn gerekend na 15 juli 2009 tot het te conserveren inkomen worden gerekend.

Commentaar

In ons bericht van 9 februari 2017 gingen wij naar aanleiding van een uitspraak van de Rechtbank Den Haag, in op deze problematiek. De Hoge Raad besliste in zijn arrest van 19 juni 2009 dat het in acht nemen van de goede trouw met zich brengt dat Nederland niet eenzijdig de heffingsbevoegdheid kan uithollen of ontgaan door het opnemen van een regeling in haar wetgeving waardoor de waarde van de pensioenaanspraak tot het inkomen wordt gerekend net vóór de emigratie. Naar aanleiding van deze uitspraak van de Hoge Raad wijzigde het kabinet de wet. In gevallen dat een Verdrag de heffing over lijfrente en pensioen toewijst aan de woonstaat wordt slechts de genoten (voorwaardelijke) aftrek van de premies teruggenomen.

De Hoge Raad oordeelde op 7 december 2001 dat het terugnemen van lijfrentepremieaftrek in de vorm van negatieve persoonlijke verplichtingen niet in strijd kwam met verdragsbepalingen omdat de aftrek onder de Nederlandse fiscale wetgeving was verleend onder de voorwaarde dat de lijfrenteovereenkomst werd uitgevoerd op de daarin overeengekomen wijze. In het onderhavige arrest nuanceert de Hoge Raad dit arrest. Het komt erop neer dat er geen terugwerkende kracht geldt voor de wetswijziging van 2009. Dat houdt in dat het terugnemen van de voorwaardelijk premieaftrek alleen geldt voor premies die na 15 juli 2009 in aftrek zijn gebracht (lijfrente) c.q. niet tot het loon zijn gerekend (pensioen). Voor lijfrenten breidt de Hoge Raad deze periode nog uit met de jaren vanaf 1 januari 1992 tot 1 januari 2001.

De Nederlandse overheid probeert ook met wijzigingen van belastingverdragen het heffingsrecht over afkoopsommen van pensioen en lijfrente veilig te stellen. Veel recente belastingverdragen gaan uit van 'beperkte bronstaatheffing'. Bijvoorbeeld in het belastingverdrag met Duitsland (2016), België (2001), Portugal (1999), Polen (2002), Saoedi Arabië (2008) en Slovenië (2004). Dat betekent dat als hoofdregel geldt dat periodieke particuliere pensioen-, lijfrente- en socialezekerheidsuitkeringen door de woonstaat worden belast. Als wordt voldaan aan drie cumulatieve voorwaarden heeft echter niet de woonstaat maar de bronstaat (dus Nederland) het recht om deze uitkeringen te belasten. De cumulatieve voorwaarden zijn:

  • er heeft een gefacilieerde opbouw van het pensioen plaatsgevonden (de aanspraak op het pensioen of de lijfrente was in de bronstaat vrijgesteld of de daarvoor betaalde premies in de opbouwfase waren fiscaal aftrekbaar); en
  • bij betaling wordt het pensioen niet volledig of niet tegen het normale tarief in de heffing betrokken (in de woonstaat wordt de uitkering niet belast tegen het normale tarief voor inkomsten uit niet-zelfstandige arbeid of wordt voor minder dan 90% van de uitkering in de belastingheffing betrokken); en
  • de betaling van het pensioen overschrijdt in een belastingjaar een bepaald bedrag (afhankelijk van het land waarmee het verdrag is gesloten). Dit bedrag heeft betrekking op alle pensioen-, lijfrente- en sociale zekerheidsuitkeringen in een belastingjaar.
 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Hoge Raad, 14 juli 2017

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 25 juli 2017.